We maakten een stadswandeling door het stadje Wijk bij Duurstede, mijn oudste zoon (S., 14) en ik. We laten ons leiden door een boekje van de VVV en zo nu en dan lezen we de tekst dat bij een genummerde bezienswaardigheid hoort. Er wordt meer verwezen naar wat afwezig is van het oude middeleeuwse stadje dan wat er nog te zien is. Zo kijken we naar een hoop stenen, de fundering, van de molen die Ruysdael ooit schilderde. (Rechts op het schilderij is nog net de toren van de Grote Kerk van Wijk bij Duurstede te zien, waarover het verhaal gaat dat deze in de katholieke concurentiestrijd met Utrecht hoger moest worden dan de Domtoren. Alleen, halverwege de bouw was het geld op.) En zo kijken we naar twee grafzerken uit de negentiende eeuw die resteren van de joodse begraafplaats. De ligging tussen de resten van een oude toren en de singel is melancholiek. De smalle stenen rechthoeken lijken zo uit de hemel gevallen en lijken in een eeuwige slow motion achterover te vallen. Ze doen me niet alleen denken aan de joodse begraafplaats in Praag, maar ook aan een passage in De emigrés van W.G. Sebald.

Er ging een soort schok van herkenning door mij heen bij het graf van de op mijn verjaardag, 18 mei, overleden Meier Stern, en ook door het symbool van de ganzenveer op de steen van Friederike Halbleib, overleden op 28 mei 1912, voelde ik mij geroerd op een wijze die ik, zoals ik tegen mezelf moest zeggen, vast nooit geheel zou doorgronden. Ik stelde mij haar voor als schrijfster, alleen en ademloos over haar werk gebogen, en nu, terwijl ik dit schrijf, heb ik het gevoel dat ik haar heb verloren en daar niet overheen kan komen ondanks de lange tijd die sinds haar dood is verstreken. Tot in de middaguren ben ik op de joodse begraafplaats gebleven en heb ik rondgelopen tussen de rijen graven en de namen van de doden gelezen, maar pas helemaal op het laatst ontdekte ik niet ver van het gesloten hek een tamelijk nieuw grafmonument, waarop onder de namen van Lily en Lazarus Lanzberg ook die van Fritz en Luisa Ferber stonden. Ik neem aan dat Ferbers oom Leo dit grafmonument heeft laten oprichten. Van Lazarus Lanzberg zegt de inscriptie dat hij in 1942 in Theresienstadt is gestorven, en van Fritz en Luisa dat ze in november 1941 zijn gedeporteerd en ten onder gegaan. Ik heb geruime tijd voor dit graf gestaan, waarin alleen Lily, die zichzelf van het leven heeft beroofd, is komen te liggen. Ik wist niet wat ik moest denken, maar voordat ik de plek verliet heb ik, zoals dat de gewoonte is, een steen op de zerk gelegd.

W.G. Sebald De emigrés, 239-241

Een steen op een zerk leggen, dat is wat Sebald met het schrijven van dit mooie boek over vier joodse emigranten en de geschiedenis van hun families heeft gedaan. Ik leg geen steen op één van de twee zerken, maar loop langs de singel terug naar het einde van de wandeling op de Markt in het centrum. Daar eten we nog een ijsje bij een Italiaanse ijssalon voordat we de fietsen opzoeken om terug te fietsen naar Bunnik. Net zomin als ik me op de Markt de bedrijvigheid van honderden jaren geleden kan voorstellen, zo slecht kan ik me een beeld vormen van de drukte op de oude handelsroute over de Kromme Rijn, het riviertje dat we voortdurend onderweg naar huis in de verte zien stromen. Daar hebben we schilders voor nodig, of fotografen, of dichters en schrijvers als Sebald.