Het is een geruststellende gedachte dat ik het nog kan. Het had wel een aantal dagen geduurd om te ontwennen, maar toen ervoer ik weer die rust en stilte die ik in een ver verleden ook had ervaren. Zo eenvoudig kan het zijn: enkele dagen leven in een stil huis waar afwezigheid heerst, maakt dat men langzaam maar zeker die stilte gaat voelen, dat men het inademt en dat het in het eigen lichaam gaat woekeren.

Het is als het moment voor een concert: de dirigent heeft bij het opkomen het applaus in ontvangst genomen, hij draait zich om naar het orkest en heft zijn handen op, het publiek wordt stil, de orkestleden zitten met hun instrument in de aanslag. Dat is het moment, een moment van stilte en concentratie, waaruit de muziek zal ontstaan. Maar ook de stilte van het lege doek op de schildersezel, de stilte van een onbeschreven blad papier waarop een verhaal of gedicht te voorschijn zal komen.

Het is zo'n stilte waarover ik spreek, zo lang mogelijk uitgerekt, waarin tijd geen rol meer speelt, maar een Bergsoniaanse durée. De motoriek wordt bedachtzamer, de puls van het leven wordt trager. De wereld zwijgt en maakt ruimte. Een ruimte waarin, zo stel ik me voor, contemplatieve monniken hun god zoeken. Een ruimte waarin iets kan ontwaken. Ik maak er geen religie van, ik ga eenvoudigweg aan mijn bureau zitten lezen en laat een verhaal ontstaan. (Of ik kijk naar de film Bin-jip van Kim Ki-Duk, een film die precies in zo'n zwijgzame wereld past.) Maar ik had net zo goed iets anders kunnen doen. Bijvoorbeeld glimlachend mijn pad aanvegen. Zoals mijnheer Dao dat doet.