Het moet op de middelbare school zijn geweest, dat ik de eerste keer over Joseph Conrad en zijn Heart of darkness heb gehoord. Tijdens een les Engels of wellicht geschiedenis. Ik had me voorgenomen dat boek ooit te gaan lezen en elke keer wanneer ik schrijver en titel in andere boeken tegenkwam, herinnerde ik me weer dat voornemen. Ruim vijfentwintig jaar later heb ik het dan eindelijk gelezen, in een Nederlandse vertaling.

Zo'n boek is het, zo'n boek dat je geregeld tegenkomt in andere boeken. Het wordt veel geciteerd. Er zijn veel van dergelijke boeken. De Belijdenissen van Augustinus is zo'n boek, Plato is zo'n filosoof, Madame Bovary kom je ook overal tegen en u kunt vast uitstekend meer namen en titels noemen.

Het is allemaal wereldliteratuur, boeken die de tand des tijds ruimschoots hebben doorstaan en voortdurend gelezen en herlezen worden (of in ieder geval: geciteerd). Ik liep er altijd met een grote boog omheen. Waarom? Omdat ik te vaak hoorde, dat het boeken zijn die je gelezen moet hebben. Als ze al zo vaak gelezen werden, waarom zou ik het dan nog doen? Ja, Nietzsche, die lees ik graag, maar dat is voor mij heel persoonlijk, zijn teksten komen me na, die inspireren en ergeren mij, die zijn als een vader voor mij. Maar al die andere boeken, nee, die staan te hoog op de Olympus.

Toen kwam uitgeverij Athenaeum met zijn Perpetua reeks, een reeks die de 100 beste boeken van de wereld omvat. Om die marketing-taal moest ik wel even grimlachen, toch kan ik er niet om heen, dat de lijst vooral uit boeken bestaat waar ik hierboven over schrijf. Gevoelig voor seriewerken als ik ben, maakt zo'n reeks in een eerste reflex hebberig. Het vraagt erom om verzameld te worden. Afgezien dan van die paar titels die ik al in mijn kast heb staan (ik blijk de afgelopen jaren toch meer zogenaamde wereldliteratuur te hebben gelezen dan ik dacht). In tweede instantie schudde ik mijn hoofd, ik hoef dat toch allemaal niet te lezen? Alleen die Joseph Conrad, die wil ik nog lezen, misschien wordt het eens tijd.

En ik las het boek en terwijl ik het las dacht ik geregeld: daarom dus, daarom is het zo beroemd. Geweldig hoe Conrad de lezer de Kongo laat afzakken, dieper en dieper het oerwoud in. En hoe tegelijkertijd de reis in de ruimte ook een reis naar binnen wordt. Dan kom je voortdurend zinnen tegen die je zou willen voorlezen, of citeren. Uiteindelijk kun je er dan niet meer om heen, dit boek moet iedereen gelezen hebben!

En dit verstilde leven had helemaal niets vredigs. Het was de verstildheid van een onverzoenlijke kracht die dreigend op een ondoorgrondelijk plan broedde. Je werd er wraakzuchtig door gadegeslagen. Later raakte ik eraan gewend. Ik zag het niet meer. Ik had geen tijd. Ik moest blijven gissen waar de vaargeul was. Ik moest de tekenen herkennen, veelal op mijn gevoel, die op zandbanken duidden. Ik keek uit naar stenen onder water. Steeds beter leerde ik mijn tanden keurig op elkaar te klemmen vóór mijn hart naar buiten vloog, wanneer ik door stom geluk rakelings langs een of andere smerige oude boomstam in de rivierbedding scheerde, die dat koekblik van een stoomboot zeker aan flarden gescheurd zou hebben en alle pelgrims de verdrinkingsdood zou hebben ingejaagd. Ik moest uitkijken naar geschikt dood hout dat we 's nachts tot brandstof voor de volgende dag konden hakken. Wanneer je je met dat soort dingen moet bezighouden, met enkel datgene wat zich aan de oppervlakte afspeelt, dan verlies je de werkelijkheid – de werkelijkheid, zeg ik jullie – uit het oog. De diepere waarheid blijft verborgen – gelukkig, gelukkig maar. Maar niettemin was die voor mij voelbaar. Vaak voelde ik me door haar mysterieuze stilte gadegeslagen bij mijn apenkuren, net zoals ze jullie kunsten gadeslaat die jullie ieder op je eigen slappe koord vertonen, voor – hoeveel zou het zijn? – een halve kroon per buiteling...

Joseph Conrad Hart der duisternis, 49