Niemand kwam de hoek om, niemand volgde haar, niets meer verstoorde de doodse rust van de uitgestorven stad, alleen het steeds luider hoorbare puffende geluid van daarnet, en in die angstaanjagende compleetheid van de stilte – geen jammerkreet, geen stompgeluid: op de bijna gave stilte bij de artesische put vormde ook het misdrijf, want wat kon het anders zijn, een antwoord met zijn geluidloze geschiedenis – leek het al niet meer zo uitzonderlijk dat er helemaal geen mensen op straat waren, want onder normale omstandigheden had ze – ondanks de bijna epidemische vormen aannemende neiging tot afzondering – toch ten minste een enkele voorbijganger tegen moeten komen, tenminste hier, bij het gedeelte van de Avenue Béla Wenckheim dat dicht bij de binnenstad lag. Voortgedreven door bange voorgevoelens liep ze haastig verder en allengs kreeg ze steeds meer het gevoel alsof ze in een nachtmerrie was terechtgekomen, en toen ze de bron van het puffende geluid, dat inmiddels duidelijk te horen was, dicht genoeg was genaderd en achter de stammen van de kastanjebomen opeens het lompe geval in het oog kreeg, was ze ervan overtuigd dat ze door de uitputting en de angst gewoon hallucineerde, want datgene wat ze zag leek in de eerste instantie niet alleen verbijsterend, maar volkomen ongeloofwaardig. Niet ver voor haar bewoog zich midden op de brede weg een spookachtige constructie eenzaam voort in de winterse nacht – als het lamlendige gesukkel waarmee dit duivelse voertuig met de onthutsende traagheid van een wegwals, strijdend om elke centimeter, moeizaam op weg was naar de binnenstad, nog wel de naam beweging verdiende: alsof het niet op de oppervlakte rolde, tegen de kracht van de stormachtige tegenwind in, maar zich door een dikke, taaie, stroperige substantie heen moest boren. De dichte, met blauwe golfplaat bedekte wagen, die aan een reusachtig treinstel deed denken en volgeklad was met schreeuwerige gele opschriften (en een onbegrijpelijke donkerbruine figuur in het midden) was veel langer en veel groter – zo stelde ze met ontzetting vast – dan de enorme Turkse vrachtwagens die een tijd geleden nog door de stad reden, en dit ongelofelijk wanstaltige gevaarte, dat een zoetige vislucht verspreidde, werd hortend voortgetrokken door een walmend en van olie glimmend trekkerachtig wrak uit de prehistorie. Toen ze hem had ingehaald, vertraagde ze haar pas terwijl ze erlangs liep met een nieuwsgierigheid die zelfs haar angst overstemde, maar hoe ze de door een ongeoefende hand geschreven klungelige, vreemde letters ook bestudeerde, hun betekenis bleef voor haar verborgen ('... misschien iets Slavisch ... of Turks? ...'): ze kon er dus met geen mogelijkheid achterkomen welk doel hij diende en wat hij in hun uitgestorven, verwaaide, door de vrieskou gekwelde stad te zoeken had, en evenmin kon ze bedenken hoe hij er was terechtgekomen, want met die slakkengang zou de reis zelfs uit het dichtstbijzijnde dorp jaren duren, terwijl het ook moeilijk was voor te stellen (hoewel het toch niet anders kon zijn gegaan) dat hij per trein was vervoerd. Ze versnelde weer haar pas, en net toen ze het beangstigende transport was gepasseerd, zag ze, terugkijkend, in de glazen cabine van de trekker een grote, behaarde, flegmatisch uitziende man met alleen een wit onderhemd aan, met een sigaret hangend in zijn mondhoek, die – toen hij haar opmerkte op de stoep – een spottend gezicht trok en zijn rechterhand langzaam van het stuur omhoog haalde, als om de hem aanstarende voorbijganger te groeten.

Lásló Krasznahorkai De melancholie van het verzet
in: Deus ex machina 137, 2011, 130