Er staat een huis in een landschap dat woest en leeg is. Ik hoor dat het stormt, ik zie stof en bladeren voortwaaien, maar de bomen lijken nauwelijks te bewegen. Het is een andere storm. Een jonge vrouw verlaat het huis en worstelt door de wind naar de waterput. Wat nu als de bron geen water meer geeft? Er staat en paard in de stallen. Hij wil de kar niet meer trekken, behalve als de reis een vlucht is. Een vader staat op uit zijn bed. Hij laat zich kleden door zijn dochter. Zijn rechteroog wil niet meer open, zijn rechterarm laat zich niet meer bewegen. De vader begint de dag met een glas palinka, levenswater. Wat nu als ook dit water op is?

Tarr kan in interviews wel beweren dat zijn films niet metafysisch, symbolisch of allegorisch geïnterpreteerd mogen worden, ondertussen nodigen de beelden in zijn films juist uit tot allerlei duidingen. Tarr wil de mens tonen die in de marge van de samenleving zijn strijd voert om het naakte bestaan. Maar Wittgenstein indachtig (Er bestaan stellig onuitsprekelijke zaken. Dit toont zich, het is het mystieke. Tractatus 6.522), in het tonen van zijn sociale bewogenheid voor de armlastige mens klinkt een hele reeks boventonen mee en ik denk dat Tarr dat wel degelijk weet.

We krijgen zes dagen uit het leven van drie personages te zien – een vader, een dochter en een paard –, zes dagen die als het ware een omgekeerd scheppingsverhaal vertellen. En wij moeten zien dat het níet goed was. Halverwege de film komt er iemand langs. Hij steekt een tirade af, het gaat slecht met de wereld, het is de schuld van zowel God als de mens. Zij vernietigen de wereld, als een destructieve storm. Schaduwen van Nietzsche. Er komen zigeuners langs, ze willen water drinken uit de waterput, maar ze zijn niet welkom. Wanneer ze vertrekken geeft een oude man een boek aan de dochter. Later opent zij het boek en stamelend leest ze er uit voor. Volgens Tarr is het een anti-Bijbel, een werk van de schrijver van deze film, Lásló Krasznahorkai. Het bevat referenties aan Nietzsche.

Vader en dochter zwijgen, vloeken, doen korte mededelingen of geven opdrachten. Er is geen affectie tussen beiden, het zijn gevangenen in hun dagelijkse rituelen. Ze lijken ergens op te wachten (Beckett), ze eten slechts gekookte aardappelen (Van Gogh). The Turin Horse is een duistere, sombere film die alleen vol te houden is voor wie gevoelig is voor de beeldtaal van Béla Tarr. Tweeëneenhalf uur, dertig takes. Dan gaat, onherstelbaar, het licht uit.