Hier vocht men dagen met zijn stilte.
Als een woord lag men te wachten
op zin, het zwenken van taal.

Zo kon men botsen met zijn ogen,
als gaten diep verankerd.

Ook wilde men spreken over letters
als wankele staketsels.

Over lang vervlogen nachten
met een ingemaakte man,
het kermen van de katten.

Niets was onbelangrijk.
Waren het niet de woorden,
het was de volgorde waarin hij ze zweeg.

Lies van Gasse Brak de waterdrager
Amsterdam 2011, 17