De gesloten hellekennis wil van uitgangen niets weten. Ze weet de eigen perfectie te bereiken door het denken naar het hart van de duisternis te verplaatsen. Ze voltrekt haar reflexieve beweging als een steeds weer opnieuw uitgesproken nee tegen het starten van vitale projecten en het leggen van hoopvolle contacten. Ze geniet van haar overwinning door voortdurend toe te geven aan de behoefte de belachelijkheid van de goede wil te demonstreren – de onnozele hals die steeds weer opnieuw opkrabbelt en meent dat hij de tocht kan voortzetten. Het helse denken registreert met kille blik de opwelling van het hopende deel zich van de hel los te maken, en richt aan het einde van elke vluchtweg een nieuwe hellepoort op: slechts als opgegeven hoop mag de hoop overleven, en hij moet net zolang stuklopen tot hij zichzelf voor een deel van de hellekring houdt. Daarmee pretendeert de vertwijfeling als het ware het fundament voor zichzelf te leggen: ze hoeft zich alleen maar te herhalen om zich opnieuw van haar Zijn en zo-zijn te vergewissen. Ik ben vertwijfeld, dus ik ben. En hoe vaak ben ik als vertwijfelde? – Zo vaak als ik denk dat ik het ben.

Peter Sloterdijk Sferen, 799