Hij bracht een dag in ledigheid door, zittend in de opening van zijn grot en starend naar de pieken verderop, waarop nog flarden sneeuw lagen. Hij had honger maar deed er niets aan. In plaats van naar de roep van zijn lichaam te luisteren probeerde hij te luisteren naar de reusachtige stilte om hem heen. Hij viel moeiteloos in slaap en had een droom waarin hij zo snel als de wind over een onbeschutte weg draafde terwijl zijn karretje achter hem aan zweefde op banden die nauwelijks de grond raakten.

De wanden van de vallei waren zo steil dat de zon pas tegen het middaguur te voorschijn kwam en halverwege de middag alweer verdwenen was achter de pieken in het westen. Hij had het voortdurend koud. Dus klom hij verder, tegen de helling op zigzaggend totdat de weg over de pas uit het zicht verdween en hij uitkeek over de uitgestrekte vlakte van de Karoo, met Prince Albert zelf kilometers beneden zich. Hij vond een nieuwe grot en sneed struiken af voor op de vloer. Hij dacht: Nu ben ik werkelijk zo ver gekomen als een mens maar komen kan; er zal heus niemand zo gek zijn om deze vlakte over te steken, deze bergen te beklimmen, deze rotsen uit te kammen om me te vinden; nu ik de enige ben op de hele wereld die weet waar ik uithang, kan ik pas werkelijk geloven dat ik spoorloos ben.

Al het andere lag achter hem. Toen hij de volgende ochtend wakker werd had hij alleen die ene reusachtig lange dag voor zich, een dag tegelijk. Hij beschouwde zichzelf als een termiet die zich door een rots heen boorde. Hij scheen alleen nog maar te hoeven leven. Hij zat zo stil dat het hem niet zou hebben verbaasd als er vogels op zijn schouders waren neergestreken.

J.M Coetzee Wereld en wandel van Michael K, 84