Maar bovenal leerde hij, terwijl de zomer ten einde liep, van het nietsdoen te houden, een nietsdoen dat zich niet langer beperkte tot kortstondige perioden van vrijheid die hier en daar heimelijk aan de dwangarbeid waren ontfutseld, gestolen uurtjes waarin hij intens genoot door gehurkt voor een bloemperk te zitten en het harkje tussen zijn vingers te laten bungelen, maar dat zijn volledige overgave aan de tijd inhield, aan een tijd die als trage olie over het aardoppervlak vloeide van horizon naar horizon, zijn lichaam overspoelde, door zijn oksels en liezen circuleerde, zijn oogleden beroerde. Hij vond het plezierig noch onplezierig als er werk aan de winkel was; het was hem om het even. Hij kon hele middagen met open ogen naar de golven en roestsporen op het ijzeren dak liggen staren: zijn gedachten dwaalden niet af, hij zag alleen het golfijzer, de ribbels transformeerden zich niet tot een patroon of fantasie: hij was zichzelf, liggend in zijn eigen huis, de roest was alleen maar roest, het enige wat bewoog was de tijd die hem voortdroeg op zijn stroom. Een enkele keer, wanneer er hoog boven zijn hoofd straaljagers voorbij vlogen, herinnerde hij zich weer die andere tijd, waarin het oorlog was. Maar voor de rest bracht hij zijn leven in zalige vergetelheid door, buiten bereik van kalender en klok, half wakker, half slapend. Als een parasiet die sluimert in een darm, dacht hij; als een hagedis onder een steen.

J.M Coetzee Wereld en wandel van Michael K, 142-143