Lieve A.,

Gelukkig kun jij erom lachen, om dat sentimentele gedoe van mij. Ik snap er soms zelf helemaal niets van. Jij begrijpt het en daar ben ik blij om en gelukkig mag ik je ermee lastig vallen.

Vandaag is weer zo'n dag. Ik zit thuis achter mijn bureau, ik moet werken, maar ik verlang naar lezen en schrijven. Het is mooi weer buiten, maar ik hoef niet zonodig naar buiten. Alhoewel, een wandeling en een goed gesprek, daar zou ik geen nee tegen zeggen.

En dan gebeurt het. Is het het mooie zomerse licht buiten en de wens om te wandelen met een goed gesprek die mij als vanzelf doen gaan naar de tijd van de wandelingen met H. rond Taizé? Taizé! Kan ik die plaats dan nooit loslaten? Heb ik daar zo'n geluk ervaren, dat het voor altijd in mijn geheugen verankerd blijft?

Maar waarom zo'n mooie, dierbare herinnering kwijt willen raken, vraag ik me wel eens af? Waarom het anker los hakken? Is die tijd niet tot een ijkpunt geworden? Soms zou ik willen dat ik door een gat in de tijd terug kon, terug naar zomer 1986. Al was het maar om de herinnering te zuiveren, want het was niet alleen maar een mooie tijd, het was ook een spannende en verdrietige. Ik zou mezelf zien stuntelen, onervaren als ik was met meisjes. Ik zou wellicht de wanhoop en de jaloezie weer voelen. Ik zou mezelf weer theater zien spelen, dat ook. Misschien zou ik mezelf niet eens herkennen.

Nee, mijn lieve A., ik moet het touw van het anker gewoon langer laten worden in de tijd. Laat de Nornen maar spinnen und singen. Wellicht zal ik deze geschiedenis nog gebruiken in een verhaal en dan zal ik je het laten lezen. Het moet nog groeien tot een boek.

Ondertussen sluit ik mijn ogen en probeer ik die wereld weer op te roepen. Geluiden van een zomerdag: het verre gebrom van een vliegtuig hoog in de lucht, het ruisen van een trein aan de andere kant van het dal, de vogels en de krekels, het geluid van onze stappen op het landweggetje... Ik zie het dorpje Ameugny in het zonlicht van de namiddag. En in de stilte hoor ik onze gesprekken over boeken, lezen en schrijven. We kijken elkaar niet aan, we turen vol gedachten naar de grond. We lopen in hetzelfde tempo, dat was een goed teken. Het is zo ver weg, zo dichtbij en zo vergankelijk. Ik kan het bijna grijpen..., maar als ik mijn ogen open vliegt het weg.

een zonnige groet,
jwl