In de geschriften van een kluizenaar herkent men in de verte altijd de echo van de woestenij, de fluistertoon en de schuw om zich heen geworpen blikken van de eenzaamheid; in zijn sterkste woorden, zelfs in zijn schreeuw klinkt nog een nieuwe, gevaarlijker vorm van zwijgen en verzwijgen door. Wie jarenlang dag en nacht alleen met zijn ziel vertrouwelijke twist- en tweegesprekken heeft zitten voeren, wie in zijn hol – en dat kan een labyrint maar ook een goudmijn zijn – een holenbeer, een schatgraver, een schatbewaarder of een draak werd: diens begrippen krijgen ten slotte een eigen schemerige kleur, een geur zowel van diepte als van verrotting, iets onmededeelzaams en onwilligs dat alle voorbijgangers koud in het gezicht blaast. De kluizenaar gelooft niet dat er ooit een filosoof is geweest – aangenomen dat iedere filosoof eerst een kluizenaar was – die zijn werkelijke en definitieve meningen in boeken heeft uitgedrukt: schrijft men niet juist boeken om te verbergen wat men in zich bergt? – Hij zal zelfs betwijfelen of een filosoof eigenlijk wel 'definitieve en werkelijke' meningen kan hebben, of er bij hem niet achter elk hol nog een dieper hol ligt, moet liggen – een grotere, vreemdere, rijkere wereld boven iedere oppervlakte, een afgrond achter iedere grond, onder iedere 'grondslag'. Iedere filosofie is een filosofie van de voorgrond – dat is een kluizenaarsoordeel: 'het heeft iets willekeurigs dat hij hier stilhield, terugblikte, omkeek, dat hij hier niet meer dieper groef en de spade weglegde, – het heeft bovendien iets verdachts.' Iedere filosofie verbergt ook een filosofie; iedere mening is ook een schuilplaats, ieder woord ook een masker.

Friedrich Nietzsche Voorbij goed en kwaad §289