Lieve A.,

Dat moet je maar niet meer tegen mij zeggen, want het wordt me al zo vaak gezegd. Dat ik meer in het nu zou moeten leven. Ik weet wel hoe jij het bedoelt en je schreef het ook ironisch, het is me niet ontgaan, maar doorgaans word ik erg chagrijnig van die uitdrukking en dan vooral van het spirituele geneuzel dat er dan vaak achteraan komt. Ik herinner me een collega die eens een boek gelezen gehad van een zekere meneer Tolle. Allereerst wekte ze bij mij de indruk dat ze al heel trots was op het feit dát ze een boek gelezen had. Maar ze was eveneens trots op haar opgedane wijsheid en met een zeer ernstig gezicht van een zeer wijze vrouw, adviseerde ze me op een samenzweerderige toon dat ik meer in het nu zou moeten leven. Ik schoot in de lach van het toneelstukje dat ze opvoerde en verzekerde haar dat ik niet anders kon. Het is immers onmogelijk om in het straks of in het zojuist te leven, ik leef noodgedwongen in het nu. Ze was diep beledigd door mijn lachen, ze had duidelijk niet door dat ze zich als een Jehova-getuige had gedragen. Humorloze levenswijsheden zouden verboden moeten worden.

Natuurlijk, ik begrijp het wel. Men vindt dat ik teveel in het verleden leef en dat ik teveel herinneringen meetors op mijn schouders, dat het mij onnodig somber maakt. Ik zou meer aan de toekomst moeten denken, meer plannen moeten maken, beter voor mijzelf moeten zorgen. Beste vrienden, jullie hebben daar allemaal gelijk in!

Mensen zijn zoals het verleden ze gemaakt heeft en de verwachtingen die ze koesteren van de toekomst. Maar dat is niet statisch, je kunt niet iemand isoleren in een moment. Elke stap naar de toekomst is een stap naar het verleden. Ik heb er altijd een beeld bij, een vaag beeld, gebaseerd op een titel van een oud boeddhistisch boek, De poortloze poort. Het boek is een verzameling koans uit de dertiende eeuw van de zenmeester Mumon Ekai. Ik heb het niet gelezen, het is het beeld dat ik prachtig vind. Nietzsche gebruikt het beeld van de poort eveneens in zijn Zarathoestra:

Toen gebeurde wat me lichter maakte: want de dwerg sprong van mijn schouder af, de nieuwsgierige! En hij ging gehurkt op een steen tegenover mij zitten. Waar wij halt hielden, daar was juist een poort.

'Zie deze poort, dwerg!' sprak ik verder. 'Ze heeft twee gezichten. Twee wegen komen hier samen: die ging nog niemand ten einde.

Deze lange straat terug: die duurt een eeuwigheid. En gindse lange straat naar buiten – dat is een andere eeuwigheid.

Ze weerspreken elkaar, deze wegen; ze stoten elkaar recht voor het hoofd: – en hier, bij deze poort komen ze samen. De naam van de poort staat erboven geschreven: "Ogenblik".

Friedrich Nietzsche Aldus sprak Zarathoestra, 160

In het ogenblik leven, misschien vind ik dat al mooier klinken dan dat agressieve woordje nu. Bij Nietzsche vind ik het beeld van de poort echter te massief. Ik zie een groot, stenen gebouw met enorme houten deuren voor me. De poortloze poort uit het boeddhisme klinkt een stuk lichter, als iets dat in de lucht hangt. Daar raakt het meer aan het mysterie van de tijd, aan de onmogelijkheid om de tijd vast te grijpen. Waar zit het scharnierpunt tussen verleden en toekomst? Is dat er wel? Stuiten we hier niet op de grenzen van ons voorstellingsvermogen?

Maar goed, laten we bij wijze van gedachtenexperiment, staande onder de poort "ogenblik", het wisselmoment tussen verleden en toekomst even stil zetten. Kijken we dan terug naar het verleden en moet we ons dan omdraaien om naar de toekomst te kunnen kijken? Als er al iets te zien is?

Nee, dit beeld bevalt me helemaal niet. Ik ervaar de tijd en het oneindige kleine moment daarin, het 'ogenblik', eerder als vloeibaar, als iets dat van achteren komt en voortdurend onder mij door stroomt. Soms als een woest kolkende rivier, soms als een kalm bergbeekje. Ik ervaar in het verleden kijken niet als omdraaien en terug wandelen, nee, het haalt me voortdurend in, ik zie het voor me. In de toekomst kijken is in het verleden kijken. De tijd is cyclisch en herhaalt zichzelf elk ogenblik. Het ogenblik omarmt als het ware verleden én toekomst. De tijd, dat is het ruisen van de rivier. Kun jij het horen?

Toen ik deze brief begon te schrijven, had ik het boek Siddhartha van Hermann Hesse nog niet uitgelezen. Soms is het frappant dat boeken zich op het juiste ogenblik aandienen. Ik zat vast met deze brief, ik kon niet de woorden vinden die het dichtst bij mijn gedachten zouden komen. Toen las ik in een dag het tweede deel van het boek. Siddhartha zit in een diepe crisis en komt terug bij de rivier waar een veerman hem ooit overgezet heeft. Hij raakt in gesprek met de rivier:

Blij keek hij naar de rivier die daar stroomde, nog nooit was een water hem zo goed bevallen, nog nooit waren de stem en gelijkenis van het stromende water zo direct en zo mooi bij hem overgekomen. Het scheen hem toe dat de stroom hem iets belangrijks te vertellen had, iets wat hij nog niet wist, wat hem nog te wachten stond.

Hermann Hesse Siddhartha, 128

Siddhartha besluit te blijven en leeft samen met de oude veerman. De veerman Vasudeva zegt over de rivier:

Ik heb er heel wat overgezet, duizenden wel, en voor al die mensen is mijn stroom alleen maar hindernis geweest op hun reis. Zij waren onderweg naar geld en zaken, naar bruiloftsfeesten, naar bedevaartplaatsen, en de rivier was een belemmering op hun weg, en de veerman was daar om hen snel over die hindernis heen te helpen. Maar voor een enkeling onder die duizenden, een paar maar, vier of vijf, hield de stroom opeens op om louter hindernis te zijn, dat waren de mensen die zijn stem gehoord hebben, die geluisterd hebben naar wat hij te zeggen had, en voor diegenen is de stroom heilig geworden, zoals hij voor mij heilig is...
(...)
'Heb jij,'zo vroeg hij hem eens, 'heb jij dit ook van de stroom geleerd: dat er geen tijd bestaat?'

idem., 136-137

Soms voel ik me weer dat kleine jongetje dat altijd maar muzieken aan zijn vrienden wilde laten horen en eindeloos lp's opzette. Dus nog één citaat en dan stop ik:

Zacht klonk het veelstemmig gezang van de stroom. Siddhartha keek in het water, en in het water, dat voorbijtrok, werden beelden zichtbaar: zijn vader verscheen, eenzaam, treurend om zijn zoon, hijzelf verscheen, eenzaam, ook hij door banden van weemoed aan die verre zoon gebonden; zijn zoon verscheen hem, al even eenzaam, de jongen, die begerig over het brandend pad van zijn jonge wensdromen voortsnelde, ieder van hen had alleen oog voor zijn eigen doel, was van zijn eigen doel bezeten, ieder van hen leed daaronder. De stroom zong nu van smart, een lied van weemoed zong hij, weemoedig stroomde hij naar zijn bestemming, klagend klonk zijn stem.

'Hoor je het?' scheen Vasudeva's blik te willen zeggen. Siddhartha knikte.

'Je moet nog beter luisteren!' zie Vasudeva zacht.

idem., 171

Als ik behoefte heb om alleen te zijn, dan maak ik wel eens een wandeling over het Jaagpad langs de Kromme Rijn. In een bocht staat een bankje waar ik soms ga zitten. Dan kijk ik naar de ondergaande zon en het stromen van het water. Doelloos en zinloos, altijd maar voort. Het is prachtig. Ik heb het gevoel dat ik iets van mezelf zou verliezen als ik altijd maar in het nu zou leven. Veel herinneringen maken me niet vrolijk, maar ze horen bij mij, ik wil ze ook niet meer kwijt, ik koester ze, want ze hebben me ook rijker gemaakt. Maar ik zal proberen beter te luisteren, naar het stromen, naar het ruisen en ik zal het omarmen, telkens weer.

met ogenblikkelijke groeten,
jwl