Hij had aan de ene kant van De Witte Brug de tak in het water gegooid. Snel gingen we naar de andere kant om de tak onder de brug door te zien drijven. M. was op de onderste balk van de brug gaan staan om over de rand te kunnen kijken, net als Janneman Robinson. Ik keek mijn kleine jongen van opzij aan, zeven jaar was hij nu al!

Lang volgden we de tak. Kijk, zei ik, allemaal draaikolkjes in het water. M. wilde weten hoe dat kwam, maar voordat ik antwoord kon geven, zagen we recht onder de brug een schaduw van onszelf in het eeuwig voortstromende water, in het licht van de ondergaande zon. M. moest erom lachen.

Zo stonden we daar de tijd te vergeten. Toen de stok uit het zicht verdwenen was, gingen we naar huis.