Naast dat ik graag boeken voor mezelf koop, geef ik ze ook graag cadeau. Aan vrienden en familie die lezen is dat eenvoudig, ik ken hun voorkeuren enigszins. Maar soms wil ik iemand een boek aandoen. Zo heb ik de afgelopen jaren geregeld vrienden Austerlitz van Sebald cadeau gedaan. Meestal wil ik het boek dan ook weer lezen, alsof ik nog even moet controleren wat ik cadeau gegeven heb. Doorgaans lees ik dan een bladzijde of twintig en dan weet ik weer dat het goed is.

Zo heb ik onlangs met enige aarzeling het boek cadeau gegeven aan een vriend die geen lezer is. Toch hoop ik dat hij het gaat proberen. Prompt ben ik dezelfde avond aan het boek begonnen om het als het ware door zijn ogen te lezen. Is het niet te saai voor hem? Zou hij wel gevoelig zijn voor de melancholische toon, zou hij zich wel kunnen laten meeslepen door de dromerige atmosfeer. Austerlitz is een boek dat je in één keer in een roes zou moeten uitlezen. Dat is me nooit gelukt, maar ditmaal besloot ik om het boek weer helemaal te herlezen. En dat in een tijd waarin mijn hoofd vol zit met ruis, een tijd waarin ik de concentratie voor lezen en schrijven maar moeizaam kan vasthouden. Vaak val ik 's avonds vemoeid met een boek in de hand in slaap. Soms kan ik me niet concentreren op het lezen omdat ik juist zit te piekeren over mijn onvermogen te genieten van mijn geliefde bezigheden: lezen en schrijven.

Een paar dagen geleden werd ik 's avonds laat weer wakker met Austerlitz opengeslagen in mijn schoot. Vol gedachten over de hopeloosheid van mijn leven ging ik naar bed. De volgende dag stond ik op met dezelfde gedachten, maar ik moest naar mijn werk. In de trein las ik verder waar ik gebleven was en werd totaal verrast door het eerste wat me voor ogen kwam, een passage die perfect leek aan te sluiten bij mijn frustraties.

Wat er ook in mij gebeurde, zei Austerlitz, het gevoel van paniek waarmee ik voor de drempel van elke zin stond die ik wilde opschrijven, zonder te weten hoe ik nu aan deze zin of aan welke zin dan ook moest beginnen, breidde zich weldra ook uit tot het lezen – op zichzelf toch een veel eenvoudiger activiteit – totdat ik onvermijdelijk in een toestand van de grootste verwarring terechtkwam zodra ik probeerde een hele bladzijde te overzien. Wanneer je taal kunt beschouwen als een oude stad, met een wirwar van straten en pleinen, met wijken die lang geleden gebouwd zijn, met afgebroken, gesaneerde en nieuwe stadsdelen en steeds verder het land in groeiende buitenwijken, dan leek ik op iemand die door een lange afwezigheid niet meer bekend is in deze agglomeratie, niet weet waar een bushalte voor dient, wat een binnenplaats, een kruispunt, een boulevard of een brug is. De hele structuur van de taal, de syntactische rangschikking van de afzonderlijke delen, de interpunctie, de voegwoorden en uiteindelijk zelfs de namen van de gewone dingen, alles was in een ondoordringbare nevel gehuld.

W.G. Sebald Austerlitz, 142

Eigenaardig toch dat boeken (of slechts een passage in een boek) zich soms precies op het juiste ogenblik kunnen aandienen! Ik beschouw dat als een vorm van troost (of, zonder te luisteren naar de christelijke boventonen die met dit woord meeklinken: als een vorm van genade). Het is prachtig dat als iemand iets opschrijft en het geschrevene de wereld in weet te slingeren, dat iemand anders dat vele jaren later – terwijl de schrijver al niet meer leeft – op een vroege ochtend onderweg in de trein leest en erdoor geroerd kan worden omdat hij de betekenis van die passage zo herkent.

Ik geloof niet, zei Austerlitz, dat wij de wetten begrijpen waaronder de terugkeer van het verleden zich voltrekt, maar ik heb steeds het gevoel dat er helemaal geen tijd bestaat, alleen maar verschillende ruimten die volgens een hogere vorm van stereometrie met elkaar verbonden zijn en waartussen de levenden en de doden naar believen heen en weer kunnen gaan, en hoe langer ik erover nadenk, des te meer komt het mij voor dat wij die nog leven in de ogen van de doden irreële wezens zijn die slechts af en toe, in een bepaald licht en onder bepaalde atmosferische omstandigheden, zichtbaar worden. Zo ver ik terug kan kijken, zei Austerlitz, heb ik altijd het gevoel gehad dat ik mij niet in de werkelijkheid bevond, dat ik eenvoudig niet bestond, en dat gevoel is nooit sterker geweest dan die avond in de Šporkova toen de blik van de page van de rozenkoningin in mij doordrong.

idem., 210-211

Of die ochtend in de trein naar Nijmegen toen de woorden van Sebald tot mij doordrongen...