Mijn ouders zijn opgegroeid in de jaren '30 en hebben als 'tiener' de Tweede Wereldoorlog meegemaakt. Zij hebben schaarste en gebrek ervaren. Ze hebben ook de jaren van wederopbouw en hoogconjuctuur meegemaakt. De jaren dat banen voor het opscheppen lagen, de jaren dat mensen het economisch goed kregen, de jaren waar de ene na de andere vinding op de markt binnen handbereik kwam: koelkast, wasmachine, televisie, auto enzovoort. Ze konden op vakantie naar steeds verdere bestemmingen. Achteraf zou je kunnen zeggen: ze hebben de geboorte van het consumentisme beleefd, zonder te weten wat een grote wissel dat zou gaan trekken op onze leefomgeving.

De kinderen van mijn ouders groeiden op in deze tijd. Zij hadden niet de jaren van schaarste en gebrek meegemaakt en snapten niet waarom de ouders zo zuinig waren met alles, waarom eten niet weggegooid mocht en je je bord moest leegeten, waarom er op zolders oude rommel werd bewaard 'voor je weet maar nooit'. Er was immers een koude oorlog en de Russen waren niet te vertrouwen.

Zouden ouders en kinderen toen wel beseft hebben hoe bijzonder die tijd was in het licht van de geschiedenis? Beseffen wij wel dat het pas zestig jaar geleden is?

In een traditioneel huishouden ging verreweg het grootste deel van het budget op aan voeding en kleding; samen met de kosten voor huisvesting was daarmee het gezinsinkomen grotendeels opgebruikt. De meeste mensen gingen niet winkelen of 'consumeren' in de moderne zin van het woord: ze voorzagen in hun levensonderhoud. Tot halverwege de twintigste eeuw was 'vrij besteedbaar inkomen' voor een overweldigende meerderheid van de Europese bevolking een contradictio in terminis. Nog in 1950 gaf het gemiddelde West-Europese huishouden meer dan de helft van zijn geld uit aan noodzakelijke artikelen: eten, drinken en tabak [sic]. In het mediterrane Europa lag dit cijfer aanmerkelijke hoger. Als er dan ook nog kleding en huur vanaf moest, dan bleef er niet veel over voor niet-essentiële zaken.

In de volgende generatie zou dit allemaal veranderen. In de twee decennia na 1953 werd het reële inkomen in West-Duitsland en de Beneluxlanden bijna verdrievoudigd. (...)

De mensen hadden geld over en gaven het ook uit.

(...)

Rond 1957 begonnen jonge mensen, voor het eerst in de geschiedenis van Europa, zélf dingen te kopen.

Tot die tijd hadden jongeren nooit als aparte consumentengroep bestaan. 'Jongeren' bestonden helemáál niet. In traditionele gezinnen en gemeenschappen bleven kinderen tot ze van school gingen en een betrekking vonden, op welk punt ze jongvolwassenen werden. De nieuwe tussencategorie 'tiener', die een generatie niet op grond van haar status, maar op grond van haar leeftijd definieerde – 'kind noch volwassene' – kende geen precedent. Het idee dat zulke personen – de tieners – een aparte consumentengroep zouden vertegenwoordigen, was een aantal jaren eerder zelfs nog ondenkbaar geweest. Voor de meeste mensen was het gezin altijd een productie-eenheid, niet een consumptie-eenheid. Áls een jongere in het gezin al zelf verdiende, dan hoorden die verdiensten bij het gezinsinkomen en vormden ze een bijdrage aan de collectieve lasten.

Tony Judt Na de oorlog
Amsterdam 2010, 426 en 437-438

Mijn ouders zijn nu al weer een tijdje grootouders en maken nu mee dat in tijden van wat economische tegenslag we ons de luxe permiteren om deze tegenslag een crisis te noemen. Economische crisis, ecologische crisis en op termijn een voedselcrisis en een grondstoffencrisis. Kwartet!

De economische groei die in het leven van mijn ouders zoveel vooruitgang en welvaart bracht, stuit op haar grenzen. De jonge generaties zijn niet opgegroeid met schaarste en gebrek, begrijpen zuinigheid niet. Op welke wijze moet ik mijn kinderen opvoeden, zodat zij later op verstandinge wijze weerstand kunnen bieden aan de mechanismen van de consumptiemaatschappij, in een tijd die wel bezeten lijkt van economische groei? Hoe leer ik ze niet verslaafd te zijn aan hebbedingetjes, dat een hoog promillage alcohol in het bloed niet de belangrijkste voorwaarde is voor feest, dat vrijheid niet ligt in materieel geluk en de afwezigheid van belemmeringen, maar juist in een bescheiden gebruik van vrijheid. Hoe zorg ik ervoor dat mijn kinderen zich later vrij en autonoom kunnen opstellen?

Mijn ouders konden op hun twintigste niet voorzien hoe de wereld er zestig jaar later uit zou zien. Ik kan niet voorzien hoe de wereld er over vijfendertig jaar uitziet, als ik de leeftijd van mijn ouders bereik. Zou er in die tijd niet net zo'n gigantische verandering kunnen plaatsvinden? Is deze verandering wellicht al voorzichtig gaande? Wel vermoed ik dat zo'n ommezwaai een tegenbeweging zal blijken te zijn, een beweging terug naar datgene wat we sinds de jaren '50 hebben verloren. We noemen het dan geen zuinigheid, maar duurzaamheid. Ik vermoed ook dat eenvoud en bescheidenheid weer een rol zullen gaan spelen en dat we weer mensen zullen zijn die minder het individuele en meer het sociale leven zullen waarderen. En misschien (misschien!) zullen begrippen als waarheid en schoonheid weer zonder schroom genoemd mogen worden.