Het is alweer een tijd geleden dat ik al mijn lp's heb weggedaan. Over het algemeen heb ik daar geen spijt van, maar er is één doos waar ik nog wel eens aan terug denk en waarvan ik nog steeds geen nieuwe uitgave op cd heb gevonden. De doos bevatte het eerste pianoconcert en de nocturnes van Chopin gespeeld door Ingrid Haebler. In mijn tijd in Bosch en Duin luisterde ik vaak naar het laatste kantje met nocturnes als ik 's avonds in bed lag om te gaan slapen. Vooral de Nocturne nr. 20 in cis ontroerde me keer op keer. In de stilte van mijn kamer liet het mijn gedachten gaan naar elders, maakte tijd tot ruimte.

Het begin, een opeenvolging van een paar schijnbaar eenvoudige akkoorden, een kleine, intieme beweging. Dan stilte. Weer dezelfde akkoorden. Er was eens ... Weer stilte. Dan begint de linkerhand omhoog reikende bewegingen te spelen, terwijl de rechterhand een melancholieke melodie inzet. Vertelt het een verhaal? Of zijn het slechts droombeelden uit lang vervlogen tijden? Er waren eens ...

... een jonge man en een jonge vrouw zittend in een oude romaanse kerk. Ik zie ze voor me, zij met een arm om zijn schouders. Ze zwijgen in het duister van de late avond. Ze zijn alleen, ze kijken elkaar aan. Hij ziet haar mooie diepbruine ogen en glimlacht door zijn tranen heen. Een oneindig klein ogenblik staat de tijd stil. Een moment dat nooit vergeten zal worden, een moment als een verre echo uit de onderwereld. Dan staan ze op en verlaten het eeuwen oude gebouw, buiten horen ze de vleermuizen door de ruimte vliegen. Ik kijk ze na als ze hun weg vervolgen en ik weet: nooit meer zullen ze zo dichtbijelkaar zijn.

Wie verlangt, leeft! Al zal deze droom nooit meer werkelijkheid worden, de herinnering blijft. Wie verlangt mag hopen, dat is de troost. In de slotmaten klinkt dan plotseling toch nog een grote drieklank, als een eerste zonnestraal boven de horizon. En ze leefden, nog lang en gelukkig?