In de stilte waarin wij zijn, de vertrouwelijke
die behoort aan ons toe, ons beiden, in beschouwelijke

troostoverdenking, daarin ga ik nu tot u komen
ik, die ben door een donker, sidderend verdriet ingenomen;

een donker verdriet, zoo dringend, dat ik het als mijn eigen
wezen gevoelen moet, zoo wil ik mij dan over u neigen

en ben als een groote avond over u met moede zegening
eene, die smartenszat en zonder bewegen hing

een sombere zomernacht, verwijlend in peinzenstoeven;
en ijdel vallen weg de woorden, die mijn mond wil beproeven.

Alleen – in mijn denken is een klare stem geboren
die toespreekt en ik wil gelooven dat gij zult hooren

en dat wij samen nederliggen in vreeze gedrukt en over ons heen
spreekt Zij haar te zeggen af, in haren goddelijken trots alleen.

J.H. Leopold Verzamelde verzen 1886-1925
Amsterdam 2006, 37