Nadat ik het bericht had verstuurd, bleef ik erover nadenken. Had ik het wel moeten schrijven en had ik het wel moeten versturen? Was ik niet te openhartig geweest? Hoe goed kende ik haar?

Ik besloot een wandeling te maken langs de Kromme Rijn, dat was al weer een tijd geleden. Als het zoveel en zolang geregend heeft, is het jaagpad modderig en ik wandel niet zo graag met laarzen aan. Ik koos ervoor om ditmaal tegen de stroom in te lopen, dan kon ik eventueel een brug later op mijn schreden terugkeren.

Als ik wandel en aan iemand denk, dan is het net alsof diegene naast me loopt en we een gesprek voeren. Ken jij dat fragment van Nietzsche over het liefhebben en het leven? Waar stond dat ook al weer? Nietzsche voegt zich dan bij ons en we lopen zwijgend verder. Thuis blader ik in de Zarathoestra om het fragment te zoeken, maar ik kan het niet vinden.

Ik lees verder in het boek Schuim van Sloterdijk. Sloterdijk is voor langzaam lezende lezers en voor lezers die teruglezen. Ik kan me voorstellen dat zijn doorwrochte en hyperbolische zinnen mensen afschrikt en irriteert. Ik vind het prachtig en al begrijp ik het niet allemaal, ik heb toch het gevoel dat hij onvermoede manieren van denken voor me toegankelijk maakt, of op z'n minst een flits.

Toen ik het Voorbericht gelezen had, las ik nog even het motto bij de proloog. Het was een citaat uit Zarathoestra: En ook mij, die het leven een warm hart toedraagt, lijken vlinders en zeepbellen en wat op hen lijkt onder mensen, het meest te weten van geluk. Een merkwaardige passage, het ging Sloterdijk natuurlijk om die zeepbellen. Ik zocht het op in mijn exemplaar – het lag nog binnen handbereik – om de context te kunnen lezen en wat schetste mijn verbazing? De passage die ik eerder had gezocht, stond er precies boven! Van lezen en schrijven is de titel van de rede waar het in staat. En zoals de hele Zarathoestra: duister, maar mooi.

Ook Nietzsche was een wandelaar, hij voerde gesprekken met zijn schaduw. Hoeveel van zijn teksten zullen niet tijdens het wandelen ontstaan zijn? Hoeveel van mijn stukjes zijn niet lopend tussen het Centraal Station en het Molenpad ontstaan, in gesprek met mijn demon? Ik mis die wandelingen zo, nu ik niet meer in Amsterdam werk. Had ik mijn gedachten toen maar kunnen opnemen met een apparaatje, dan waren vele honderden teksten en vele ongeschreven brieven niet verloren gegaan!

Eigenlijk zou ik weer elke dag een stukje moeten wandelen. Zoals vandaag. Tegen de stroom in, de zon in de rug, gure wind in mijn gezicht.