(...) de weemoedweefsels van romantische geesten (...). Dat woord, weemoedweefsels, ik moest er erg om lachen. Het is het taalplezier van Sloterdijk dat me zo fascineert. (Of dat van de vertaler Hans Driessen?)

Een populaire braafheid heeft al sinds jaar en dag het schuimige, lichte, al te lichte links laten liggen. De klassieke metafysica en de volksontologische alledag waren het er, ondanks diepgewortelde meningsverschillen, van oudsher over eens dat men de ernstige, verantwoordelijke geest herkent aan zijn verachting voor het schuim. De verbale articulatie van het niet-serieuze: schuim en luchtkastelen; de bestaanswijze van de aan lager wal geraakten: het schuim der natie; de weemoedweefsels van romantische geesten: zoetige gistingsproducten van een holle, in zichzelf gekeerde subjectiviteit; de woedend-lege eisen van de ontevreden velen aan de politiek, of beter gezegd, aan de totaliteit: tekstballonnen, voortgebracht door het roeren in de pan van collectieve illusies. Over dat soort dingen kan men ons niets wijsmaken: waar holheden aan de macht zijn gekomen, daar laten ze een spoor van uiteengespatte frasen na. Het schuim biedt, net als kaartenhuizen, onderdak aan dromers en agitatoren. Daar zul je de volwassenen, de serieuzen, de gepast handelenden nooit aantreffen. Wie is volwassen? Hij die weigert houvast te zoeken in het onhoudbare. Alleeen de verleiders en bedriegers, de partijgangers van het onmogelijke, willen hun slachtoffers in hun bodemloze opwinding meesleuren. Het schuim is het uitgaanskostuum van het nihil, waaruit niets kan ontstaan, tenminste als we Lucretius nog steeds mogen geloven; het is het onhoudbare, het 'eenjarige', dat zich door onvruchtbaarheid en passiviteit verraadt. Het schuimige, zo hoort men in welingelichte kringen, existeert alleen in het lege egocentrisme, het komt niet verder dan episodes, het blijft voor eeuwig gevangen in het opzwellen en ineenzakken. Wat niets dan desintegratie heeft te verwachten is niet meer dan kwalijke opgeblazenheid, het is de aan de macht gekomen anecdote. Het schuim brengt niets uit zich voort, het heeft geen gevolgen. Zonder levensverwachting en een volgende generatie is het slechts op weg naar het eigen uiteenspatten. In de chaos van wonderlijke zonen is het schuim zo al niet de eerstgeborene dan toch de meest verachtelijke.

Peter Sloterdijk Sferen. Schuim, 21-22.