De merel hipt over het gras tussen de pluizige paardebloemen en de madeliefjes. Wanneer hij stilstaat maakt hij afgemeten bewegingen met z'n kop, hij lijkt te luisteren naar de grond. Soms pikt hij dan ineens een worm uit de grond en schrokt het naar binnen. Dan hipt het beestje weer verder en herhaalt zijn ritueel.

Zo zou ik ook moeten luisteren naar mezelf, naar datgene wat wroet en graaft. Ik hoef daarvoor niet de kamer rond te springen, ik hoef alleen maar plaats te nemen op de oude kerkbank aan de eettafel. Geen muziek, geen televisie en vooral: geen internet. Ik en een boek, een aantekenboekje en een pen.

Meestal hoor ik niets, er is teveel stadsverkeer in mijn hoofd. Wanneer ik ga lezen en geniet van de concentratie, dient zich een ander landschap aan. Uit de schaduw van dagelijkse routine komt een andere wereld tot leven. In deze stilte dient zich zomaar een merel aan. Hij hipt door mijn gedachten en pikt.