de eeuwige terugkeer (18)

Diese herrlichen Wälder! Ich bin 7-8 Stunden täglich im Freien (KSB 5, 427), schrijft Nietzsche op 12 juli 1879 vanuit St. Moritz aan zijn zuster Elisabeth. Een kamergeleerde was Nietzsche zeker niet. Ongetwijfeld zal hij als hoogleraar filologie veel achter zijn bureau gezeten hebben, omringd door boeken, maar sinds hij zijn baan had opgegeven en een bestaan ging leiden zonder vaste woonplaats, lijkt hij vooral te wandelen als zijn gezondheid dat toelaat. Het zou me niet verbazen dat voor Nietzsche wandelingen maken bijna synoniem was met schrijven, het ordenen van zijn gedachten, aantekeningen makend in een schrift, zodat hij later zo min mogelijk een beroep op zijn ogen hoeft te doen als hij aan tafel schrijft. Wellicht was in deze zin zijn bestaan zonder verplichtingen een bevrijding voor hem. (Sowieso is Menschliches, Allzumenschliches. Ein Buch für freie Geister een boek waarin hij zich losmaakt, van Wagner, van de wetenschappelijke wereld van Bazel en wellicht van Schopenhauer.) Al op 28 augustus 1877 verzucht hij in een brief vanuit Rosenlauibad aan zijn vriend Franz Overbeck: Hätte ich doch irgendwo ein Häuschen; da gienge ich wie hier täglich 6-8 Stunden spazieren und dächte mir dabei aus, was ich nachher im Fluge und vollkommener Sicherheit auf's Papier hinwerfe (...) (KSB 5, 276). Dat huisje zal Nietzsche nooit vinden of het moet het pension zijn in Sils Maria, het plaatsje waar hij juli 1879 vlakbij is, maar pas een jaar later zal ontdekken.

Men kan zich afvragen wat de invloed van het wandelen is geweest op de inhoud van zijn denken en schrijven. Natuurlijk kunnen we daar geen antwoord op geven, omdat we niet weten wat hij geschreven zou hebben als hij geen wandelaar was geweest. Nietzsche zelf lijkt overtuigd van die invloed, in ieder geval kan de lezer voortdurend verwijzingen vinden naar het wandelen in de bergen. Zoals bijvoorbeeld in Der Wanderer und sein Schatten, het boek waarvoor hij in juli 1879 aantekeningen maakte tijdens het wandelen (brief aan Heinrich Köselitz, 5 oktober 1879: Alles ist, wenige Zeilen ausgenommen, unterwegs erdacht und in 6 kleine Hefte met Bleistift skizziert worden (...) (KSB 5, 450); deze Hefte zijn bewaard gebleven en digitaal op internet in te kijken op www.nietzschesource.org, zoals bijvoorbeeld dit schrift).

338
Dubbelgangersmotief in de natuur. – In sommige natuurlandschappen zien we onszelf terug, met een aangenaam afgrijzen; het is een schitterend dubbelgangersmotief. – Hoe gelukkig moet hij kunnen zijn die dat gevoel juist hier heeft, in deze voortdurend zonnige oktoberlucht, in het snaakse, gelukkige spel van de wind, van 's ochtends vroeg tot 's avonds, in deze pure glans en gematigde koelte, in het hele gracieus-ernstige heuvels-meren-en-bossen-karakter van deze hoogvlakte, die onbevreesd naast de verschrikkingen van de eeuwige sneeuw is gaan liggen, hier, waar Italië en Finland een verbond zijn aangegaan en zich het vaderland van alle zilveren tinten van de natuur schijnt te bevinden: – hoe gelukkig degene die zeggen kan: 'ongetwijfeld zijn er veel dingen in de natuur die grootser en mooier zijn, maar dit is mij buitengewoon vertrouwd, dit is familie van mij, en zelfs méér.'

Friedrich Nietzsche Menselijk, al te menselijk
Amsterdam 2000, 544

St. Moritz in het vaderland van alle zilveren tinten

Geen baan, geen gezin, geen eigen woning, levend van een pensioentje, slechte ogen en voortdurend ziek. Nietzsche zal het wandelen ook als vlucht naar buiten hebben gebruikt, om adem te kunnen te halen en wellicht toch ook om mensen tegen te komen, om in ieder geval het gevoel te hebben te leven. Daarbij zal de noodzaak van de buitenlucht voorwaarde geworden zijn om te kunnen schrijven, al was het maar in gedachten. Hij beseft dat louter denken en schrijven in de afzondering van een studeerkamer, zonder de ervaring van het leven in de wereld, niet werkt. Zoals hij later schrijft in De vrolijke wetenschap:

Wij horen niet tot degenen die pas te midden van boeken, onder invloed van boeken tot gedachten komen – het is onze gewoonte om in de vrije natuur te denken, lopend, springend, klimmend dansend, liefst op eenzame bergen of dicht bij zee, waar zelfs de wegen tot nadenken stemmen. Onze eerste vragen met betrekking tot de waarde van boek, mens en muziek luiden: 'Kunnen ze lopen? Meer nog, kunnen ze dansen?'

Friedrich Nietzsche De vrolijke wetenschap
Amsterdam 1999, 237

Kenners en liefhebbers van Nietzsches werk associëren hier ogenblikkelijk met andere teksten, vooral de dans en bergen met Zarathustra. Ook het begrip de vrije geest resoneert hier wat mij betreft mee, de zelfstandig denkende mens, die niet alleen leunt op wijsheid uit boeken (was het niet Schopenhauer die lezen omschreef als 'denken met andermans hoofd'?). Nietzsche wijst ook op de beperking van de boekenwurm, de mens die zijn liefste bezigheid, het lezen, tot een kluis maakt. Boekenkennis is geen kennis die zelf opgedaan is. Of zoals Ton Lemaire het omschrijft: Mensen die veel lezen en hun kennis in hoofdzaak aan boeken ontlenen, lijken op diegenen die reisverslagen hebben gelezen over een bepaald land maar er zelf nooit geweest zijn (in: Verre velden, 336). (Waarschuwing aan mezelf!)

Het is aantrekkelijk om bij Nietzsche in de zomermaanden van 1879 te blijven en met hem mee te wandelen. Ik herinner me de vakanties met mijn ouders uit mijn jeugd in de bergen van Oostenrijk. Moeilijk om hoog in de bergen niet een romantische natuur te ontwikkelen en al helemaal niet in de tienerjaren. In de Zwitserse Alpen ben ik nauwelijks geweest, het is nog een droom van mij om daar de plekken op te zoeken waar Nietzsche geweest is. Eigenlijk is het project de eeuwige terugkeer een voorbereiding op een reis die ik ooit in betere tijden hoop te ondernemen en mocht het er nooit van komen, dan heb ik in ieder geval alvast de voorpret gehad.