Een man staat als een living statue bij een waterkraan, zijn hand in het stromende water. Een vrouw zit onbeweeglijk op een bank. Ik denk dat de tijd stilstaat en dat ik me daarin beweeg.

Met het schrijven begint het verhaal en als het papier op is, eindigt het. Ze schrijft niet voor haar plezier, ze schrijft om niet gek te worden. Afgesneden van de wereld door een onzichtbare wand, jaagt en schrijft ze om het isolement te overleven. Wij kijken mee, vooral veel close-ups: kijkend uit het raam, schrijvend aan een tafel, liggend in bed, starend naar het plafond. Het zijn mooie beelden. Ondertussen vertelt haar stem het verhaal. Hoe ze leeft met haar hond, katten, een koe en een kalf. Over haar wanhoop, moeizame acceptatie en berusting.

Het lukte me maar niet om in haar een eenzame vrouw te zien. Ik zag iemand met ontwenningsverschijnselen die moest leren omgaan met de nieuwe situatie, vooral met de afwezigheid van menselijk contact. (Ik had met haar te doen omdat ze niet beschikte over een uitgebreide bibliotheek om de tijd door te komen.) Het werd allemaal verteld en getoond, maar het bleef bij fantastisch acteren in een schitterend landschap van Caspar David Friedrich. De schoonheid van de beelden pasten niet bij de huiver van de woorden. De betovering stond het drama in de weg.

Toch ging ik uiteindelijk mee in het gedachtenexperiment. Wat gebeurt er met iemand die plotseling afgesloten is van de mensheid en alleen gezelschap vindt bij dieren? Helemaal overtuigend vond ik het antwoord niet, de sprongen in de tijd waren te groot. Ik vroeg me af wat er allemaal was weggesneden uit het boek. Maar gelukkig ontweek het verhaal de weg naar een vage natuurmystiek, waardoor het een voorstelbare ontwikkeling werd. De hoofdpersoon wendt zich niet tot de natuur om daar waarheid te vinden, maar uit noodzaak. Ze leert de taal van de natuur te verstaan, ze verliest (een deel van) haar cultuur. Haar zintuigen worden scherper en ze ervaart weer het ritme van de natuur. Tijd is weer een relatieve tijd geworden, het is niet meer de kloktijd of de agenda die bepaalt. Vandaar wellicht ook de verzuchting dat de tijd stilstaat. Dichter bij de spirituele valkuil komen we gelukkig niet.

Verder blijft de aanwezigheid van een onzichtbare wand een mooi gegeven, het schreeuwt om een duiding, maar deze blijft gelukkig uit. Ook de betekenis van de witte poes en de witte kraai – de eerste zal het niet overleven, de tweede wordt verstoten door zijn zwarte soortgenoten – blijft aan de kijker. Het publiek mag de zaal verlaten met raadsels, de film kent een geweldig open einde. Ik wil Die Wand nogmaals zien.