Hij ging voor de spiegel buiten een kapperszaak staan en monsterde daarin zijn trekken. Hij had waterige blauwe ogen en in het geheel geen wangen. Zijn voorhoofd was een gerafelde rotswand. De neus, een duizelingwekkend smalle scherpe kam, viel loodrecht weg in de diepte. Onderaan, bijna niet te zien, zaten twee minuscule zwarte insecten. Niemand zou daarin neusgaten vermoed hebben. De mond was de gleuf van een automaat. Twee scherpe groeven liepen, als kunstmatige kerven, van zijn slapen naar zijn kin, en troffen elkaar aan de spits daarvan. Daardoor en door de neus viel het gezicht, toch al lang en smal, in vijf angstwekkend smalle delen uiteen, smal maar strikt symmetrisch; er was geen plaats om het oog op te laten rusten en Kien deed dit dan ook maar even. Want toen hij zichzelf zag – hij was niet gewoon zichzelf te zien – voelde hij zich opeens erg eenzaam. Hij besloot zich in de drukte en onder de mensen te begeven. Misschien zou hij zo vergeten hoe eenzaam zijn gezicht was en misschien zou hij een idee krijgen met betrekking tot de voortzetting van zijn activiteiten.

Elias Canetti Het martyrium
Amsterdam 2008, 204