Mijn ideale leven is een rustig leven. Ik houd van lezen, om steeds in dezelfde stoel stil te zitten, met de lichtval vanuit een bepaalde hoek, in mijn eentje, of met Meagen vlakbij, en zo nu en dan, als ik geluk heb, kom ik een mooie zinsnede of een verfijnd sentiment tegen, kijk op van mijn boek en voel de harmonie in een bepaald begrip, de rechtvaardigheid ervan en het besef dat alles daarin gevat zit. Dat is wat ik onder leven versta, die stilletjes ontdekte momenten. Met niets minder ben ik tevreden, maar eigenlijk: veel meer verwacht ik ook niet.

Maar Meagen wel, en om die reden zijn die momenten van harmonie ongrijpbaar, áls ze zich al voordoen. Zij is altijd nerveus, een beetje uitzinnig, blikt terug op wat ze heeft gedaan, vraagt zich af wat er op haar pad ligt, wat de toekomst zal brengen. Die nacht, nadat ik een glas had gedronken met meneer Boyd en terug naar bed was gegaan, zei ze wat ze altijd zei toen New York voor ons op zijn eind liep.

'Ik houd van je,' zei ze. 'Dat is tenminste iets.'

Charles D'Ambrosio Het dodevissenmuseum, 190-191