Temidden van lachende vrienden en bekenden maakte ik foto's van de achterzijde van het huis. Ik besloot om ook een foto van de voorzijde te maken, dan kon ik op facebook laten zien waar ik ging wonen. Tot mijn verbazing was het huis aan de voorzijde wit gepleisterd. In mijn herinnering was het grote, imposante huis juist duister en grijs.

In mijn middagpauze fietste ik van school via de Willem Lodwijkstraat alsmaar rechtdoor langs het spoor naar De Merodestraat. Een straat waar ik altijd met een zekere verlegenheid en huiver naartoe ging, omdat het het terrein van De Fabriek was. Mijn bestemming lag aan het einde van die weg, toch had ik het gevoel dat ik daar niet hoorde te zijn. Altijd verwachtte ik een hand op mijn schouder en een barse stem die wilde weten wat ik daar deed, maar het gebeurde nooit. Gevaarlijk was het daar met al die aankomende en wegrijdende vrachtwagens. Stoom en rook kwam op sommige plekken uit de muren tevoorschijn en suggereerde menselijk activiteit in de fabriekshallen. Constructies met buizen werden hoog over de weg en spoor geleid naar het fabrieksterrein aan de andere zijde. Als De Merodestraat aan het einde een bocht naar links maakte, was ik er bijna. Het huis was nu te zien aan het einde van een verhard pad. Het lag nauwelijks hoger dan het pad ernaartoe, maar het leek met zijn donkere ramen over me heen te staren in een eindeloze verte. Tussen de ramen liepen barsten in het grijze pleisterwerk wat een hoge ouderdom deed vermoeden. Als ook het verharde pad naar links afboog, ging ik rechts het kiezelpad op dat naar de voordeur leidde.

Misschien ben ik het huis altijd vanuit kinderperspectief blijven zien. Ik was opgelucht wanneer tante S. de deur opende en niet een kwaadwillende vreemdeling. Achter de deur was een lange donkere gang dat via de keuken helemaal doorliep naar de bijkeuken waar het eeuwig koude toilet was. Links was een smalle trap waarlangs ik niet alleen naar boven durfde, want daar vermoedde ik spoken. We aten in de achterkamer de dampende pan soep die tante S. voor mij maakte. Het was een kamer en suite, waarbij de voorkamer door middel van prachtige schuifdeuren met glas in lood afgescheiden kon worden van de achterkamer. Tante S. was altijd neurotisch druk en vertelde de meest ongelooflijke verhalen. Oom B. liet zich maar zelden zien en ik vond dat niet erg, want ik vertrouwde zijn zwijgzaamheid niet. En dan was er nog hun tweede, nog thuiswonende volwassen dochter waarvoor ik op mijn hoede was. Ze sprak een onduidelijk nasaal Fries waar ik niets van begreep en ze wilde altijd maar knuffelen waarbij ze zo vreemd lachte. Later begreep ik dat ze een geestelijke handicap had.

Als ik er met mijn ouders op visite was, speelde ik in de achterkamer aan de grote tafel, soms met de kleindochter van tante S. (die was zo lief en mooi). Mijn ouders zaten dan met oom en tante in de voorkamer. Ik herinner me de vier fauteuils die elk schuin aan een hoek van de salontafel stonden. Iedereen zat altijd op zijn vaste plek. Er was in die kamer een geheimzinnige deur achter een kast die op mij een grote aantrekkingskracht uitoefende. Ik wilde weten waar die deur op uit kwam en geloofde niet dat het slechts de keuken was.

Als het mooi weer was, waren de tuindeuren open en kon ik buiten spelen, al loerde ook daar overal het gevaar. De zwarte schuur die er stond, daar durfde ik niet in. De boomgaard met de perenbomen was een mooie plek, maar ik schrok vaak van de voorbijrazende treinen. Slecht zichtbaar was de sloot die tussen de boomgaard en het spoor lag. Als de peren rijp waren mocht ik ze plukken, mijn moeder maakte er dan thuis stoofperen van. Voorbij de zwarte schuur was nog een paadje waar ik niet alleen naartoe mocht, omdat dat daar de boothuizen waren en het water dat niet met een hek was afgeschermd. Soms was oom B. daar aan het vissen. Als het hard waaide, kon ik de onzichtbare boten in het water horen klotsen. Onder te tegels van dat paadje was ooit een groot mierennest. Als kleuter kon ik eindeloos kijken naar die zwarte beestjes die door de gaatjes naar boven kwamen. Tot op een keer de mieren overal in mijn kleren kriebelden en ik huilend naar mijn moeder rende. Midden op het grasveld achter het huis trok ze al mijn kleren uit, terwijl de hele wereld keek en lachte.

Als kind droomde ik al over dat griezelige en fascinerende huis. Vaak werd ik dan vastgehouden op de kamer van de dochter. Of ik was opgesloten in de zwarte schuur tussen de visnetten en niemand kwam me bevrijden. Dan weer kreeg ik de deur van het toilet niet meer open en beantwoordde niemand mijn hulpgeroep, terwijl er allemaal enge spinnen rondliepen. Later, toen oom B. al overleden was en tante S. er niet meer woonde, droomde ik dat ik achterna gezeten werd en het huis niet meer in kon. Ik bonsde op de ramen, maar de nieuwe bewoners zagen en hoorden me niet. Een andere keer was het huis leeg en verlaten.

Afgelopen nacht had ik het huis gekocht en maakte ik er foto's van. Ik zou er gaan wonen met het hele gezin.