Zelden een passage gelezen dat zo dichtbij kwam.

Ik zeg haar dat heimwee in praktisch opzicht geen zin heeft, maar niettemin bestaat. Dat het de diepe, vruchtbare grond van mijn wezen is. De vreemde, verlokkende glans van een wereld die is ondergegaan en juist daardoor het verlangen in leven houdt. Wat verdwenen is, roept om te worden teruggevonden. Nee, het kan geen verlangen in concrete zin zijn, het is ook helemaal geen terugverlangen, het is een gevoel dat steunt op een verzonken zekerheid dat er een betere en mooiere wereld bestaat dan die waarin ik nu leef. Ik zeg haar dat dit verlangen een spiegel is die ik die wereld voorhoud, opdat zij haar verfoeilijke eigendunk zou afleggen. Ik zeg haar dat er geen sprake is van een 'terugkeer naar het verleden' zoals verlichte geesten van links en van rechts het zo graag spottend opmerken; dat die uitdrukking op zichzelf geen steek houdt om de eenvoudige reden dat ik nooit meer opnieuw tien jaar kan worden en zelfs de dag van gisteren niet over kan doen. Alle gebeurtenissen en ervaringen zijn volstrekt eenmalig, maar juist om die reden moeten ze in de herinnering blijven voortbestaan. De herinnering is het domein waar het voorbije als voorbij, het verlorene als verloren en het onbereikbare als onbereikbaar moeten worden bewaard. Dat is haar paradoxale functie. Ik zeg dat ik bijvoorbeeld niet terugverlang naar Bérénice, dat ik dat zelfs niet zou kunnen omdat het tegen de wet van het leven indruist, maar dat mijn herinnering aan haar in mij en met mij is meegegroeid zoals een parel in zijn schelp, en dat ik zonder dat kostbare bezit niet de man zou zijn die zij, Ilse, liefheeft.

Paul de Wispelaere Het verkoolde alfabet