Wanneer ik aan het einde van de middag nog een wandeling over het Jaagpad langs de Kromme Rijn wil maken, loop ik vaak met de stroom mee. In deze tijd van het jaar ga ik de ondergaande zon tegemoet. Het is stil, veel mensen zijn al met het avondeten bezig. Slechts een enkeling die zijn hond uitlaat of iemand die rent voor zijn gezondheid, maar verder alleen een verre ruis van snelwegen en de geluiden van de natuur. Onlangs hoorde ik dat de spechten weer actief zijn. De kwakende eenden zijn er, naast het roepen van de waterhoen en zo nu en dan een kras van een kraai. Dan moet ik vaak denken aan dat aforisme van Nietzsche: wij zijn zo graag in de vrije natuur omdat deze geen mening over ons heeft (Menselijk, al te menselijk aforisme 508).

Wandelen is voor mij geen sport. Wandelen is een gesprek, met een ander, met mijzelf of met de ander die ik zelf ben – soms met mezelf in de ander, maar dat is lang geleden. Wandelen is vertragen, ik ben altijd een verlangzaamde loper geweest. Het is geen neerzetten van een prestatie, het is geen training om fit en gezond te blijven, het is een vorm van reflectie tussen mij en het landschap. Mijn gedachten zijn de eeuwig voortstromende en golvende Kromme Rijn met al zijn diepten en ondiepten, met het leven aan de oppervlakte en onder de spiegel, met alle vertakkingen en bochten. Veel ongeschreven brieven zijn daar geschreven.

De invallende avond laat het duister van de bomen weerspiegelen in het kabbelende water. In het rode licht boven de horizon zie ik schaduwen van mensen over de witte brug fietsen, ze haasten zich naar thuis, waar wellicht een gezin en een eettafel wacht.