Het pad is te smal.

Waar ik hem meestal voor mij laat lopen, gebied ik nu te volgen, ik heb geen zin om hem in de rug te kijken. Tegen mijn gewoonte in begin ik sneller te lopen, ik probeer hem af te schudden, maar hij blijft aan me kleven als een slecht geweten. Driftig draai ik me om.

Sodemieter op, ik wil je niet, ga weg!

Ik kan je niet loslaten, al zou ik willen, we zijn tot elkaar veroordeeld als een foetus tot zijn moeder.

Zwijg!

Ik kan niet zwijgen, jíj bent het die me laat spreken!

Waar de rivier een bocht maakt, gaan we op een bankje zitten. Ik steek een sigaret op. Kerkklokken luiden de nacht in. Nog net kan ik in de verte twee schaduwen, een man en een vrouw, gearmd over een witte brug zien lopen. Tot rust gekomen sta ik op. Ik kijk mezelf onderzoekend aan.

Kom jwl, we moeten verder.