Lieve A.,

Deze brief schrijf ik je vanaf mijn bankje aan de Kromme Rijn. Niet op papier, maar in gedachten. Kijk je mee over het water? Er is nauwelijks wind vandaag, de rivier beweegt sloom en hier in de bocht is het water bespiegelend glad. Alleen een meerkoet weet rimpelingen te veroorzaken door onder te duiken en even later weer boven te komen. Ik kijk er graag naar en zo geniet ik van stilte op een late doordeweekse middag. Hier kan ik mijn zorgen even vergeten en als het meezit laat ik ze er achter.

Niemand heeft erom gevraagd dat deze rivier er is, maar ze is er en gaat haar natuurlijke gang, iets waar ook niemand om gevraagd heeft, het gebeurt gewoon. Zoals de meerkoet niet zijn werk doet, maar onderduikt en weer boven komt, gewoon omdat het in zijn aard zit om te duiken en weer boven te komen, niet omdat een manager dat verstandig vindt.

Ik mis dat soms zo in de mensenwereld, zo'n vanzelfsprekende manier van leven. De mensen overdenken, plannen, ze willen de wereld naar hun hand zetten, ze forceren. Alles lijkt rationeel te moeten zijn, alles moet een doel en nut hebben. Waar is de tijd voor reflectie? Waarom mogen we in onze doelgerichtheid geen omwegen maken om eens goed om ons heen te kijken. Wie weet liggen de oplossingen wel gewoon op straat of drijft er zomaar eentje voorbij. Ik kan me daar soms zo over verbazen als ik onderweg ben. De alomtegenwoordigheid van haast, onrust en lawaai. Natuurlijk ben ik daar zelf ook onderdeel van, al staat het me tegen. Ik vertraag bewust om goed om me heen te kijken. Anderen observeren terwijl ik op de trein sta te wachten is een geliefde bezigheid. Hoe kijken mensen, wat dragen ze, hoe bewegen ze, hoe gaan ze met elkaar om. Niet om er over te oordelen overigens en ik kan je verzekeren dat er schoonheid in al dat gedrag schuil gaat. Kijk die meneer daar, die met z'n telefoon aan z'n oor, geanimeerd in gesprek, ondertussen rondjes draaiend, waarbij hij lichte buigende bewegingen maakt en zo nu en dan een voet in de lucht laat gaan als hij weer een bocht maakt en op zijn schreden terugkeert. Het is bijna een dans.

Zoals je ondertussen weet, ben ik ditmaal niet aan de dans ontsprongen op mijn werk. Opvallend veel lieve en belangstellende mensen komen mij vragen naar mijn plannen. Soms voel ik hun ingehouden verbijstering als ik zeg dat ik me (nog) niet zo druk maak, dat ik stapje voor stapje wil, dat ik rustig wil afwachten, kijken wat er voorbij komt en het juiste moment bepalen (mevrouw Hermsen heeft daar nu een dik boek over geschreven, maar dat heb ik nog niet gelezen). Ik heb altijd een heimelijk, naïef vertrouwen gehad dat alles goed komt, ook als het niet goed komt. Terugkijkend op mijn leventje zie ik allerlei grote en kleine momenten die bepalend zijn geweest, maar waarvan geen enkele gepland of voorzien was en ik weet dat het nu niet anders zal gaan. Niet dat ik lui achterover hang en alleen maar afwacht, dat niet, maar ik weiger om mezelf gek te maken en volledig in een krampachtige stress te schieten. Er moet ruimte blijven voor het onaangekondigde, het onverwachte, het toeval en als het zich aandient, wil ik het niet missen.

Nee, het zijn niet die onzekerheden, mijn dierbare A., die me daar aan het bankje kluisteren om in gedachten jou een brief te schrijven. Nee, het is dat talent dat ik heb, dat talent voor het openrijten van mijn oude wonden, wonden die slechts schijnbaar littekens waren; het talent dat ik heb voor de onbeantwoorde liefde. Dat is de werkelijke reden dat ik troost zoek in het schrijven, in het kijken naar de meerkoet die steeds weer boven komt in die wel eeuwig voortstromende Kromme Rijn. De troost dat jij deze woorden zult lezen en in gedachten een arm om mij heen zal slaan zoals je dat lang lang geleden ook gedaan hebt toen ik het nodig had. En je zult me terugschrijven, toch?, met bemoedigende woorden, met tips voor mooie boeken en muzieken, met een grap, zodat ik weer kan glimlachen, omdat ik weet, ergens ver weg, achter de horizon, daar ...

Vaert wel ende levet scone,
je jwl