Er hangt een vochtige stilte, druppels liggen nog op bladeren te glinsteren. Het fluiten van de vogels in de bomen geeft de stilte diepte, ik lijk wel het enige menselijke wezen in deze wereld. Verder hoor ik alleen het geluid van mijn stappen op de bodem van het bos, een bodem die meeveert, meebeweegt, ik zou op blote voeten willen lopen om het fysiek te voelen.

Soms, eens in de zoveel tijd, kom je iemand tegen die met een welgeplaatste, goedbedoelde en toch bijna terloopse opmerking, je volledig uit het lood weet te slaan. Aanvankelijk moest ik glimlachen, maar naarmate het innerlijke verzet tegen de boodschap toenam, wist ik, dat er een open zenuw geraakt was. Hier helpt geen analytisch vermogen meer, hier helpt geen slimme retoriek, hier moet ervaren en gevoeld worden en ik moet er dwars doorheen.

Ik neem het pad waarvan ik weet dat er een omgevallen boom ligt. Een stevige boom, maar schijnbaar toch uit zijn evenwicht gebracht door een harde wind of storm. Hij trok zich niets aan van door mensen gebaande paden en viel er eenvoudig overheen. Ik liep eromheen en bekeek de uit de grond getrokken wortels.