Ze kwam thuis met een gedicht, een gedicht op plastic. Een raamposter dat met zuignapjes aan het glas bevestigd kon worden. Het gedicht ging over de zee en het had haar meteen getroffen, ze moest het kopen.

Verrast las ik het gedicht. Alhoewel het beeld van de zee mij evenzeer aansprak, werd ik getroffen door de poëzie van de tijd.

Daar hangt het nu, voor het keukenraam. Elke keer als ik het huis verlaat zal ik het mij herinneren.

EB

Ik trek mij terug en wacht.
Dit is de tijd die niet verloren gaat:
iedre minuut zet zich in toekomst om.
Ik ben een oceaan van wachten,
waterdun omhuld door 't ogenblik.
Zuigende eb van het gemoed,
dat de minuten trekt en dat de vloed
diep in zijn duisternis bereidt.

Er is geen tijd. Of is er niets dan tijd?

M. Vasalis Vergezichten en gezichten
Amsterdam 2011, 42