Er lag een groot vel papier op de grond. Daarop twee vloeiende lijnen getekend die een weg moesten voorstellen. Wat er verder nog op getekend stond, dat weet ik niet meer. Misschien een boom of een kerk, een stad of een dorp. We moesten onszelf ergens op het papier tekenen om aan te geven waar wij in het leven wilden staan. Daarna natuurlijk de uitleg en het gesprek.

Ik tekende mezelf niet op de weg, maar op een flinke afstand ervan. Ik distantieerde me en wilde slechts toekijken. Laat iedereen maar passeren, ik groet wel en ik heb mijn gedachten, ik hoef die weg niet te gaan.

Het zat er al vroeg in, dat afstand willen nemen tot de wereld. Als tiener kon ik nog naïef zijn daarin en dromen. Het is me nooit echt gelukt, want alleen verlangde ik naar mensen en onder de mensen verlangde ik naar alleen.

Het leven wordt vaak met een weg vergeleken die we allemaal zouden moeten gaan. De toekomst ligt voor ons, het verleden achter ons.

Vrienden wijzen me er wel eens op dat ik teveel in het verleden leef, dat ik met de rug naar de toekomst sta en zo nu en dan slechts over mijn schouder kijk. Keer om, wordt me dan gezegd, blijf niet zo hangen in je persoonlijke geschiedenis, ga op pad, ga je eigen weg, de weg die je wilt gaan.

Het lijkt wel een ideaal van deze tijd, een vorm van vrijheid waar we recht op menen te hebben: je eigen weg willen en kunnen gaan. Soms ook: je eigen weg moeten gaan en als het dan niet zo loopt als we zouden wensen, moet het schijnbaar zo gegaan zijn en was er vast een goede reden voor. Als onze weg maar naar geluk en succes leidt.

Ik heb in toenemende mate het gevoel dat ik niet een weg ga, hoezeer ik ook wandel in tijd en ruimte. Ik heb evenmin het gevoel ergens op een heuvel te zitten en slechts toeschouwer te zijn. Steeds vaker betrap ik mezelf op de gedachte, dat ik niet een weg ga, maar dat er een weg door mij gaat. Of is het geen weg (schiet de beeldspraak hier niet eenvoudigweg tekort?), maar iets dat stil beweegt? Of iets dat bewogen wordt, in mij? Herinnering en verwachting komen er samen.

Het waren niet de vloeiende lijnen, maar het tekenen van de lijnen. Het was niet dat poppetje ver in de periferie dat mij moest voorstellen, maar het tekenen van dat poppetje. En het gesprek. Nu zou ik mezelf overal en nergens kunnen tekenen, het ligt eraan waar ik me naar toe laat bewegen.