Afgelopen dinsdag overleed mijn vader. Bij de crematieplechtigheid heb ik onderstaande woorden gesproken.

Lieve mensen,

Lieve papa,

Een aantal jaren geleden, als we het wel eens over het onvermijdelijke hadden, realiseerde ik me dat ik op een dag hier zou staan en dat ik zou spreken op je begrafenis of crematie. Wat zou ik moeten zeggen? Hoe goed kende ik jou eigenlijk, papa. Een groot deel van jouw leven ben ik er niet geweest en als kind vergeet je wel eens dat je ouders ook een leven hebben gehad, voordat ze vader of moeder worden. Hoe dan ook, de afgelopen jaren heb ik zo nu en dan geprobeerd om informatie uit je te trekken, maar dat was niet eenvoudig. Elke keer wanneer we elkaar spraken kwamen er wel een paar puzzelstukjes te voorschijn, maar vaak pasten ze niet goed in elkaar en een volledig beeld wilde maar niet tevoorschijn komen. Maar toch, laat ik het proberen en laat ik dan maar bij het begin beginnen.

Je werd geboren op 26 februari 1930 in De Bilt. Dat was een woensdag en volgens de geschiedenis van het KNMI was het een frisse en grijze dag, gemiddeld ongeveer 6 graden, met maxima van 11, en het regende niet. Je kreeg de naam Pierre Louis, naar een familielid uit de geschiedenis van de familie, komend uit andere windstreken. Niemand noemde je zo, het werd Loek. Je had één oudere zus en later zouden daar nog vijf jongere zussen en een broer bij komen.

Ik heb begrepen dat je als kind ernstig ziek geweest bent, dat je zelfs enige tijd in het ziekenhuis gelegen hebt en naar een plaats aan zee bent gestuurd om aan te sterken. De geruchten gaan dat je daarna het lieverdje van je moeder was en vreselijk verwend werd. Ik ben daar eigenlijk wel blij om, want het voorbeeld van je moeder heb je later maar al te graag nagevolgd bij je kinderen en vooral bij je kleinkinderen. Altijd stond er wel ergens een pot met snoep waar de kleinkinderen uit mochten pakken, het gemopper van de ouders, dat je de kleinkinderen veel te veel verwende, werd altijd glimlachend genegeerd.

Toen je tien jaar was begon de oorlog in Nederland. Dat waren moeilijke tijden. Veel wilde je er niet over kwijt, behalve dan over de schaarste van voedsel en de tochten die je te voet met een kar gemaakt hebt met je moeder naar de Achterhoek om daar bij de boeren nog iets van aardappelen en groente te halen. Die tijden zouden wij als kinderen nooit kunnen begrijpen, vond je, en ik denk dat je daarin gelijk had. Daarom moesten we dus netjes ons bord leeg eten en mocht er nooit eten weggegooid worden.

Na de oorlog, je had de Mulo ondertussen afgerond, ging je als knechtje werken bij een banketbakker. Het is me nooit duidelijk geweest of je nu bij één bakker of bij meerdere bakkers gewerkt hebt. Hoe dan ook, ik denk dat het voor ons als kinderen één van je belangrijkste periodes geweest is. Schijnbaar had je daar goed opgelet of had je er gewoon gevoel voor. Wie herinnert zich niet jouw taarten! Naar verjaardagen nam je altijd taart mee. We moesten soms alleen wel wat op je inpraten dat het toch niet altijd mokkataart behoefde te zijn. Slagroomtaart of een vruchtentaart leek ons ter afwisseling ook wel eens aardig. Waarna je vervolgens met een taart aan kwam zetten die half mokka-, half slagroomtaart was, waarbij altijd toch nog even opgemerkt werd dat je het niet snapte: mokka was toch echt het lekkerste. En niet alleen de verjaardagen, volgens mij heb je ook bij elk huwelijk van je kinderen de huwelijkstaart gebakken, met etages en een echtpaar er bovenop. En laat ik niet de beroemde kersttaarten vergeten waar ik als kind altijd met grote ogen naar keek. Ik herinner me nog de taart, waarop een kerkje van chocola stond met een paadje van chocoladehagel ernaartoe. Dagen was je bezig om al die onderdelen van chocola te maken. Uit de tuin haalde je hulstbladeren die bedekt werden met chocola en het was me altijd weer een raadsel hoe je dat eraf kreeg zonder dat het brak. En nu we het toch even over je bak- en kookkunsten hebben: velen hier zullen zich je banketstaven wel herinneren, de befaamde nasi (waar je ook dagen mee bezig kon zijn), je koude buffetten op feesten en partijen en op oudejaarsdag stond je uren in de keuken om voor een weeshuis oliebollen te bakken, schalen vol gingen overal naar toe. Thuis wisten we niet hoe we ze op moesten krijgen en dagen later waren die oliebollen zo hard dat je elkaar er de hersens mee kon inslaan.

Nog voordat je achttien was melde je je aan bij de marine. Je werd aangenomen en je volgde in Loosdrecht een opleiding tot hofmeester. Je hebt veel gevaren op zee, op foto's uit die tijd zie ik een knappe, lachende jonge man in uniform in verre landen. Volgens mij had je het wel naar je zin met dat avontuurlijke leven op zee. Maar de reis waar je vaak over sprak was de reis naar Indonesië, na de onafhankelijkheid dus, niet om te vechten. Daar heb je ongetwijfeld je nasi leren koken.

Maar voor ons kinderen, was de belangrijkste gebeurtenis eigenlijk wat na Indonesië gebeurde. Want als dat niet gebeurd was, waren wij er niet geweest. Terug in Nederland werd je meegenomen door je vriend B*, althans zo is mij verteld, voor een uitje van de Jonge Kerk, een club van belijdeniscatechisanten. In de bus kwam je tegenover een bloedmooie jonge vrouw te zitten die ook nog eens bevriend was met een aantal zussen van je. Er sloeg een vonk over en jullie kregen verkering. Waarbij, zo vermoed ik, dat uniform van jou en natuurlijk die stoere motor geen onbelangrijke rol gespeeld hebben. Geef het maar toe papa, je was niet alleen een heel innemende man, maar ook wel een beetje een macho. Voordat je het wist zat je als marineman in het huwelijksbootje: op 8 augustus 1955 trouwde je in dat kerkje in De Bilt met B* W*. Ruim een jaar later kwam de grootste ommezwaai in je leven: op 9 november 1956 werd je vader, van een dochter, M*. Het was allemaal nog niet zo eenvoudig in die tijd, want jullie waren weliswaar getrouwd, maar jullie hadden nog geen eigen huisje. Toen M* een half jaar was konden jullie dan eindelijk terecht in Den Helder. Jaja, dat huisje in Den Helder, een krot, als ik mama mag geloven. (Overigens, een ieder die daar meer over wil weten: vraag het gerust eens aan mijn moeder, ze kan er uitstekend en beeldend over vertellen.) Jij, papa, was nog veel op zee, maar je was altijd blij om weer thuis te komen, met cadeautjes voor de kleine en je vrouw. Toen jullie echter een tweede kind verwachtten, weigerde je om uitgezonden te worden naar Nieuw-Guinea. J* werd geboren op 14 augustus 1959 in Den Helder. Je ging weg bij de marine en kwam uiteindelijk aan het werk in de keuken van de kazerne in Leeuwarden. De volgende woonplaats werd Hardegarijp.

De tijd van huisje, boompje, beestje brak aan. De tijd van opgroeiende kinderen, schoolgaande kinderen. Een goede baan als militair, een rijtjeshuis, in de fotoalbums zie ik de foto's van vakanties aan zee, foto's met kinderen bij de kerstboom. Jij had wel meer kinderen gewild, jij kwam uit een groot gezin, mama had alleen een zus, die vond het wel goed zo. Maar toen M* bijna elf was en J* al acht, diende zich nog een nakomertje aan. Op 7 oktober 1967 werd ik geboren in Hardegarijp en jullie noemden mij Jan-Willem.

Nu ging de tijd steeds sneller. Er was nog één verandering van werk en één verhuizing. De kazerne ging sluiten en jij liet je omscholen tot administrateur. Daarvoor moest je naar Middelburg en was je alleen de weekenden thuis. Ik herinner me nog altijd het afhalen op het station, want je had altijd een cadeautje bij je en welk kind zou daar niet naar uitkijken. Je werd gedetacheerd op vliegbasis Leeuwarden, waar je een nieuwe naam kreeg: Pierre was te moeilijk en dus werd het Piet. Het gezin verhuisde naar de andere kant van Leeuwarden, naar Menaldum, tegenover de ijsbaan. Daar heb je dus bijna 44 jaar gewoond. Daar zijn je kinderen groot geworden. Eerst moesten ze die pubertijd nog door en dat ging niet altijd zonder kleerscheuren. Je opvoedingsmethoden waren ook niet altijd bepaald orthodox. Als M* op een avond voor de zoveelste keer niet op tijd thuis was, belde je gewoon de bar op waar ze was en vroeg je of ze even wilden omroepen dat M* L* thuis moest komen. Maar je had slimme kinderen, vaak waren ze je net een stap voor. Toen je M* voorhield dat ze mocht stoppen met school als ze maar zorgde dat ze werk had, kon M* meteen antwoorden dát ze al een baan had. J* wilde ook maar wat graag het leger in, maar uiteindelijk is hem dat helaas niet gelukt. Je jongste zoontje hobbelde er wat achteraan, hij zou het je uiteindelijk ook niet makkelijk maken. Hij herinnert zich nog wel de uitroep van je 'als jij lid wordt van GroenLinks hoef je nooit meer thuis te komen'. De volgende dag was ik lid van GroenLinks en kwam ik natuurlijk gewoon thuis.

Uiteindelijk trok de rook van het slagveld opvoeding en vaderschap op. Als militair heb je nooit hoeven vechten, als vader is het vaak een strijd geweest. Maar de kinderen kwamen terecht, vonden een baan, een partner, trouwden, kregen zelf kinderen. Je werd opa op 26 maart 1985 toen B* geboren werd. En je werd niet zomaar een opa, je werd een verschrikkelijk trotse opa. Nu je eigen kinderen volwassen waren, kon je genieten van je kleinkinderen en uiteindelijk werden het er zeven: Na B* volgden Y*, S*, R*, S*, M* en M*. Maar je bleef niet hoofdschuddend aan de zijlijn van je kinderen staan. Want ondanks de soms moeilijke tijden met en tussen ons, was je nooit te beroerd om de handen uit de mouwen te steken. Als er weer eens verhuisd moest worden, stond je altijd in de frontlinie om het nieuwe huis op te knappen, te verven, te behangen. Dat we soms wat anders in gedachten hadden dan jij, daar was je soms moeilijk van te overtuigen, maar schoorvoetend deed je dan uiteindelijk wat wij graag wilden. Maar hoe dan ook, we konden altijd op je rekenen.

Wel pap, ik moet langzaam naar een einde toe breien en ik moet veel overslaan, ik kan niet alles vertellen. Ik had nog willen beginnen over je muzikale talent om muziek na één keer horen na te spelen op het orgel - het liefste zo hard mogelijk, dat we het straten ver konden horen - en dat je mij noten hebt leren lezen en dat je me orgellessen gaf. Je liefde voor de gouden strotten in de Italiaanse opera's (Pavarotti was natuurlijk de beste), de christelijke koren en de muziek van Johannes de Heer op zondagochtend galmend door het huis. De tijd dat ik meeging met je naar de bijeenkomsten van het Leger des Heils. Dat je zo goed kon dansen en dat je nog danslessen hebt gegeven. Dat je voor jan en alleman de belastingen invulde. De enorme typemachine in je kantoor in de kazerne waar de kinderen op mochten spelen. Samen naar het avondvliegen kijken op de vliegbasis. Ik had nog willen vertellen over de vakanties op de eilanden Ameland en Vlieland en die in Oostenrijk en je liefde voor de bergen. Ik had willen vertellen over de enorme open haard in de huiskamer die je op een dag was gaan bouwen. Tegelijkertijd had je je baard laten staan, ik weet niet wat toen meer indruk gemaakt heeft, de open haard of die baard. De jaren dat je met overgave je eigen groente en aardappelen verbouwde in je moestuin even buiten het dorp. En aardbeien, verschrikkelijk veel aardbeien, op mijn brood, in het toetje, op de taart ... weet je dat ik na al die jaren nog steeds geen aardbei meer kan zien? Misschien had ik ook nog ergens je eeuwige strijd met de eeuwige sigaret willen aanstippen. Hoe vaak heb je niet geprobeerd te stoppen? En elke keer werd je dan zo onuitstaanbaar chagrijnig dat we met z'n allen vaak niet konden wachten op het moment dat je er weer één opstak. Of je ongeduld als de wereld om je heen weer eens niet opschoot. Het gemopper in de auto met krachttermen die ik hier maar niet zal herhalen, er zijn kleine kinderen bij. De humor die ik met je deelde als we samen Tom en Jerry, Bud Spencer en Terrence Hill, Laurel en Hardy en nog veel langer geleden bij de VPRO, de enige programma's van de die vreselijke VPRO waar je een oogje voor dichtkneep: La linea en vooral All in the family. Ik denk dat je veel herkende in Archie Bunker als karikatuur van jezelf. De man met zijn stoel waar niemand anders mocht zitten, die manhaftig probeerde de wereld om zich heen onder controle te houden, terwijl ondertussen zijn vrouw de schade probeerde te beperken en alles in goede banen probeerde te leiden.

Pap, ik ga hier niet beweren dat je een perfecte vader was. Nee, je was lange tijd bepaald niet makkelijk. Maar ondanks je menselijke, al te menselijke kanten, ondanks je driftbuien, je starheid, je eigenwijsheid, je dominante aanwezigheid vaak, je militaire discipline in de opvoeding - 'om half zes aan tafel en anders zonder eten naar bed!' -, ondanks dat alles, stond je altijd voor ons klaar, konden we altijd een beroep op je doen en had je zo je onhandige manieren om toch te laten zien dat je van je vrouw en je kinderen hield.

En je klaagde nooit! Ook niet toen je langzaam maar zeker begon te merken dat het leven je begon te ontglippen. Graag had je nog de wereld van de computer en de mobiele telefoon leren kennen, maar het muntje viel niet, je begreep het gewoon niet. Je lichaam begon je in de steek te laten. Eerst de reuma in je handen wat het klussen steeds moeilijker maakte. De TIA's die je gehad hebt, al probeerde je dat altijd te verdoezelen. Je karakter veranderde daardoor, je werd rustiger, milder, je gezicht, je ogen en je stem werden zachter, we konden weer gesprekken voeren zonder dat de spanning om te snijden was. Je zintuigen gingen langzaam maar zeker achteruit. Ik moest harder praten. Het werken in de moestuin ging niet meer, de wandelingen konden niet meer, pijnlijke artrose diende zich aan. Autorijden werd moeilijk, zeker zo'n lange rit naar Bunnik. Alles werd vermoeiender, je kreeg het benauwd en dus een puf van de huisarts voor je longen. Eigenlijk wilde je je stoel niet meer uit en liet je de wereld bij jou komen via de televisie. En als ik suggereerde dat het geen schande zou zijn om met een rollator ..., dan keek je me aan met een blik van een 84-jarige die geen twijfel wilde laten bestaan: jíj met een rollator, je was toch zeker niet bejaard? Nee, je wilde het huis niet meer uit. Nee, je hoefde niet naar Franeker voor nieuwe schoenen, maar toen mama een verjaardagscadeau suggereerde wilde je wel samen met haar dat boek kopen in Franeker. Ik hoor het je zeggen 'ik zal vast de auto uit de garage rijden' en ik zie je het doen. En als je even later weer binnen komt, loop je moeizaam achter mama langs die bij het aanrecht staat in de keuken. Je zegt iets als 'ik moet nog even naar de wc' en je zegt dat je wat pijn voelt op de borst. Je loopt de gang in en je zakt in elkaar. Eerst denkt mama nog dat je gestruikeld bent, maar toen ze zag dat je buiten bewustzijn was, rende ze naar de buren - die fantastische buren die, als er een Nobelprijs voor goed nabuurschap zou bestaan, zij die zouden verdienen. Buurvrouw reanimeerde, buurman belde 112. Twee ambulances, politiewagens en de huisarts spoedden zich naar je toe. Het mocht allemaal niet meer baten. Het onvermijdelijke, de dood die bij je geboorte al was ingebakken (en ik denk dat deze beeldspraak je wel zal bevallen), had zich aangediend. Het lichaam dat exact 84 en een half jaar had gefunctioneerd, hield ermee op. Het was dinsdagmiddag, 26 augustus 2014.

Toen ik later op de middag even alleen was met je levenloze lichaam in het ziekenhuis, heb ik het tegen je gezegd: papa, je hebt het goed gedaan, dank je wel. En als je het niet erg vindt, blijf ik niet te lang, want zoals je weet, zal ik spreken op je crematie en ik moet de tekst nog schrijven.

Papa, ik zal eindigen met een fragment uit een gedicht. Een gedicht van mijn favoriete dichteres Miriam Van hee, die naam zal je waarschijnlijk niks zeggen. Bij dat gedicht moet ik vaak aan onze wandelingen in de bergen van Oostenrijk denken en dan zie ik je hijgend staan uitrusten in een bocht van een paadje, sigaret in je mond, fototoestel op je buik, om je heen kijkend en genietend van een prachtig panorama.

stapvoets

(...)

wij klommen langs smalle en stenige paden
en ook de zon klom steeds hoger zodat wij
de wereld beneden ons konden aanschouwen

er moest een meer zijn daarboven
er moesten zonnige graasplaatsen zijn
een plek aan de rand van het water
waar we vrij zouden zijn om te doen
of te laten, we konden er praten of
wachten tot onze huid zo dun werd als lucht
en wij elkaars gedachten raadden

er was geen andere weg daarvandaan
dan terug naar beneden, met zere voeten
met honger en dorst, maar toch als vanzelf,
in het avondlicht, met onze schaduwen nu
aan de andere kant

[Dankwoord]

Lieve mensen,

Namens mijn moeder, maar natuurlijk ook namens M*, H*, J*, W* en ikzelf dank ik u allen heel hartelijk dat u hier bent om samen met ons afscheid te nemen van vader, opa, broer, vriend, buurman ... van Loek. Ach, zei papa vaak, begrafenissen en crematies, altijd van die reünies bij de koffie en een plakje cake erbij en dan gaat het leven weer gewoon door. Nou, laten we hem daar dan maar niet in teleurstellen zo meteen en geniet u ook vooral van de broodjes kaas, u weet wel die kaas, die hij zogenaamd niet mocht eten van de doktor. En als ik straks in de auto stap, zal ik onwillekeurig kijken waar papa nu weer het geld voor de benzine heeft verstopt ... maar ditmaal zal ik het niet vinden.

B*, Y*, S*, R*, S*, M* en M*. Jullie opa is er niet meer, maar hij heeft het leven doorgegeven en jullie kunnen de herinnering aan hem levend houden. Want zolang iemand herinnerd wordt, is hij niet werkelijk dood. Het verdriet en het gemis zal nog wel even duren, maar ik denk dat opa nog trotser op jullie zal zijn als jullie straks met opgeheven hoofd verder gaan met het leven dat hij doorgegeven heeft.