De herfst begint zichtbaar te worden door de geelgroene bladeren. Het bos is mooi in de ochtend! Het is nog vochtig van de regen of de dauw uit de vorige nacht, de zon begint door de breken door de heiige hemel. Het is windstil, er heerst een gelaten sfeer als ik wandel over het pad met bladeren, dennennaalden, dennenappels, eikels, beukennootjes... Natuurlijk, het is niet echt stil, want in de verte hoor ik het gebrom van het verkeer, de mensenwereld is nooit ver weg. Ook het bos heeft zo zijn eigen geluiden: het druppelen, de vogels, het ritselen. Maar wie er gevoelig voor is, bemerkt het grote zwijgen van de natuur, zoals Nietzsche dat genoemd heeft (Morgenrood 423). Het bos oordeelt niet, het bos denkt niet na over verleden en toekomst, maar leeft, zo lijkt het, 'in het nu'. Graag zou ik die zwijgzaamheid willen verinnelijken, maar mijn gedachten babbelen voort. Ik denk over gisteren en morgen, dat is wat mij tot mens maakt. Al dat modieuze geneuzel over 'zelfrealisatie in het hier en nu' en het loslaten van verleden en toekomst, daar schuilt een ontkenning van het mens-zijn achter, ik heb daar geen boodschap aan. Ik wil in gesprek blijven. Wat zou zo'n herfstbos mij te vertellen hebben, kon zij spreken als een mens? Ik vrees dat het een huiveringwekkende boodschap zou zijn.