Toen de muur viel in Berlijn, kraaide het westen victorie, het communistische systeem had gefaald. Nu onze muur nog, dacht ik toen, de val van het kapitalisme. Maar het kapitalistische systeem blijkt hardnekkig, al vermoed ik dat er ondertussen genoeg aardschokken zijn geweest die een grotere omwenteling lijken aan te kondigen.

De onzichtbare hand van de vrije markt die alles in goede banen zou moeten leiden, die bestaat niet. Het is een aandoenlijk concept: laat mensen vrij ondernemen en alles komt goed. Zo min mogelijk regels, zo min mogelijk overheid. De maatschappij is niet maakbaar, ze vormt zichzelf ten goede als we maar niet teveel ingrijpen. Zo'n vertrouwen in de goedheid van mensen getuigt van een enorme naïviteit. De overheid moet beschermen en in goede banen leiden, zoals de kerk in christelijker tijden over het zielenheil van mensen waakte. Er schuilt een mensbeeld achter die we vooral in populaire films tegenkomen: de tweedeling tussen goed en kwaad en de wenselijke overwinning van het eerste. De mens is óf goed óf kwaad en het laatste moet paradoxaal op kwaadaardige wijze bestreden worden, want het kwaad bedreigt het succes van een vrije markt. Ode aan de beschaafde mens die verstandige en heldere keuzes kan maken, met een vinger aan de knop om de ander te vernietigen. Ik vermoed dat de mens een dier is dat zichzelf in toom probeert te houden met de meest fantastische illusies. De mens als boekhouder van zijn dromen.

Steeds minder mensen worden steeds rijker en de problemen stapelen zich op voor de rest van de wereld. Honger, ziekte, de gevolgen van klimaatveranderingen, de ellende treft vooral de landen waar Europa haar illusies geïmporteerd heeft. Maar ook in de zogenaamde westerse wereld krijgen steeds meer mensen last van financiële problemen en de sociale gevolgen daarvan. De westerse mens is tot consument gemaakt, een junk, die steeds verlangt naar de volgende aankoop om een gevoel van welvaart te behouden en dat gevoel stelt steeds hogere eisen. Er is meer geld nodig om de aangewakkerde behoeften te kunnen bevredigen en aangezien die bevrediging verward wordt met geluk, voelen mensen zich ongelukkig als de bevrediging uitblijft.

Is het een kwestie van tijd? Aan revoluties gaan vaak langere periodes van toenemende spanning vooraf. Revoluties komen voort uit een verlangen naar herstel van de goede oude tijd, vandaar de opkomst van rechtse partijen die dit verlangen levend houden. Hoe lang kan ons economische systeem met zijn repressieve tolerantie nog de onvrede reguleren? (Hoe lang werkt het drogeren met beeldschermpjes nog?) Waar ligt het keerpunt? Of denderen we als blijmoedige consumenten op een politieke, economische en klimatologische ramp af?

Onheilsprofeet! Doemdenker!