Mijn grootmoeder prevelde als zij las en ik vond dat als kind zeer eigenaardig. Zij las voornamelijk in de Bijbel en ik heb vaak gedacht dat dat de oorzaak dan wel zou zijn. De Bijbel dient men immers niet zomaar in stilte te lezen, maar met aandacht en concentratie en hoe zou men dat beter kunnen doen, dan de woorden zacht voor zich uit te spreken?

Alberto Manguel vertelt in zijn boek Een geschiedenis van het lezen dat stil lezen pas vanaf de tiende eeuw gebruikelijk werd. Daarvoor las men hardop. Stil lezen was een uitzondering, iets wat vermeldenswaardig was als men het meemaakte.

Wanneer ik alleen ben en poëzie lees, lees ik het steeds vaker mezelf voor. Het helpt om het ritme, de structuur en de al of niet rijmende klanken te ontdekken. Om vergelijkbare redenen lees ik mijn eigen tekst ook altijd hardop om te controleren of het wel goed loopt. Vaak komen de aanpassingen dan vanzelf of dient zich de volgende nog niet geschreven zin aan.

Overigens, als hij las, gingen zijn ogen over de bladzijden en speurde zijn hart naar de betekenis, maar zijn stem en tong bleven stil. Als ik bij hem was – want iedereen mocht binnenlopen en het was geen gewoonte om bezoekers bij hem aan te melden – heb ik hem dikwijls zo stil zien lezen en nooit anders. Dan zat ik daar een tijdlang in stilte – want wie zou hem durven storen als hij zo in zijn lectuur verdiept was? – en ging dan weer weg, denkend dat hij in die paar ogenblikken die hij vond om even bij te komen, vrij van drukte van andermans zaken, liever niet gestoord wilde worden; dat hij misschien wel wilde voorkomen dat hij een passage van de auteur die hij las, zou moeten uitleggen als iemand aandachtig meeluisterde of met hem op moeilijke passages zou moeten ingaan; en dat hij minder kon lezen van zijn boek dan hij wilde, als daar zijn tijd aan opging. Een goede reden kan ook zijn geweest dat hij zijn stem wilde sparen, want hij werd heel gauw schor. Maar wat voor reden hij ook had, goed was ze zeker.

Aurelius Augustinus Belijdenissen, 127