En toch... weliswaar gaat mettertijd alles voorbij maar tevens gaat in zekere zin niets echt voorgoed voorbij want het blijft op een geheimzinnige manier aanwezig, als doorwerking en invloed, als bezinksel, als residu en reminiscentie of als een vage nostalgie en melancholie.
Ton Lemaire Mettertijd, 58

En ik besef dat het de betoverende werking van de kunst is, haar schoonheid – van poëzie, beeldende kunst en muziek – die zegeviert over de vergankelijkheid van alles dankzij haar vormgeving, die ons paradoxaal genoeg zelfs enigszins kan verzoenen met de onverzoenlijke dood door onze sterfelijkheid uit te drukken in vormen die lijken te ontsnappen aan de sterfelijkheid, althans zolang er nog minstens één menselijk bewustzijn rest om ze waar te nemen en ervan te genieten.
Ton Lemaire Mettertijd, 144-145

(...) en aan de mensen te leren dat de natuur hen als gelijken op de wereld heeft gezet en dat de rede hen dan ook uitsluitend afhankelijk mag maken als hun eigen geluk ermee is gediend.
Charles de Montesquieu Over de geest van de wetten, 358

Want wie geen beschaafde omgangsvormen in acht neemt, zoekt toch naar mogelijkheden om zijn gebreken meer ruimte te geven?
Charles de Montesquieu Over de geest van de wetten, 396

Maar datgene waarin wij ons van barbaarse volken dienen te onderscheiden, is niet zozeer uiterlijke hoffelijkheid als wel innerlijke beschaving.
Charles de Montesquieu Over de geest van de wetten, 411