Ergens tussen het ene en het andere dorp, langs een weg waar auto's elkaar nauwelijks kunnen passeren, staat het huisje waar de vrouw woonde die me lezen en schrijven leerde. Ik kan me haar nog goed voor de geest halen: ovalen hoofd, lang bruin naar achteren gekamd haar, scheiding in het midden, zoals een juf behoorde te zijn. Daar staat ze, achterste rij in het midden, op de klassenfoto, een trotse lach tussen de kleine versies van mensen die nu allemaal de vijftig naderen. Ik sta er ook op, verlegen glimlachend in een witte trui, peentjesoranje haar. Mijn moeder en ik fietsten wel eens langs dat huisje als we bij de boerderij honderd meter verderop moesten zijn. Altijd even kijken of juf thuis was en zwaaien. Woonde ze daar alleen? Ben ik er ooit binnen geweest?

In het nachtelijke duister zie ik in het binnenvallende maanlicht kasten met boeken, oude fauteuils en een tafel waarop opengeslagen boeken, een asbak met een rokende sigaret, beschreven papier en een pen die zojuist lijkt te zijn neergelegd. In het zwijgende interieur hoor ik een langzame, zware tiktak van een oude klok. Er hangt een schimmelige lucht, vocht trekt door het plafond en de muren en mengt zich in het stof. Ben ik hier eerder geweest? Hoe lang sta ik daar al? Ik proef eenzaamheid, paniek en wanhoop... Ik ben daar waar ik lezen en schrijven heb geleerd.