Ongegeneerd kijk ik hem in zijn bruine ogen en zonder te knipperen kijkt hij terug. Spreekt er verwondering uit zijn blik of wordt hij gestoord in zijn overpeinzingen? Hoe lang moet ik nog wachten, lijken zijn ogen te zeggen, ik moet nog schrijven! Ik bestudeer zijn grijze haren die wild boven zijn oren vanonder het kalotje tevoorschijn komen. Wat zou zijn leeftijd zijn? Hij moet het wel koud hebben gezien de met bont gevoerde mantel die hij omgeslagen heeft. Ik heb de neiging om het te aaien, om te voelen hoe zacht het is. Of wil hij met zijn kleding op gepaste wijze pronken met zijn rijkdom? Of hoort de kleding bij zijn professie, net als de zwarte hoed op tafel en de handschoenen in zijn hand? Ook moet ik de neiging onderdrukken een hand uit te steken, ik weet dat hij mijn gebaar niet zal beantwoorden.

Is niet elk museum een tijdcapsule? Telkens wanneer ik voor een schilderij uit de Gouden Eeuw sta, betrap ik me op het verlangen in het schilderij te stappen, om er achter te kijken wat er nog meer te zien is. Ik weet dat die schilderijen vaak een geïdealiseerde voorstelling geven, maar toch, die wereld lijkt zo aantrekkelijk. Ik weet wel beter, het leven was toen niet aangenamer, maar de landschappen zijn ongerepter, de interieurs van huizen zijn zo prachtig en bovenal, alles lijkt stiller en langzamer. Het is maar de vraag of ik zou kunnen overleven in die tijd, een harde tijd van pijn, honger, dorst, de stank in de steden, de criminaliteit, de ziektes, het voortdurend bezig zijn met het redden van je hachje. Tenzij je centjes hebt om je te laten portretteren door Rembrandt natuurlijk.

In gedachten vraag ik het aan Johannes Uyttenbogaert. Bevalt het wat je ziet? Ik zou hem uit de lijst van het schilderij willen laten komen en hem deze wereld tonen. Maar hoe kan ik hem behoeden voor de schok? Niet alleen de goddeloosheid zal hem beangstigen, maar vooral ook al die machines die deze tijd teisteren. Nog voor ik hem de straat kan tonen die in Utrecht naar hem genoemd is, zal hij alweer in zijn eigen wereld gevlucht zijn. We kijken elkaar aan vanuit dezelfde, maar tegelijkertijd vanuit een totaal andere wereld. Een ogenblik. Ga maar weer verder met peinzen en schrijven, waarde Johannes.

Rembrandt van Rijn (1606-1669)
Johannes Wtenbogaert, Remonstrant Minister (1633)