Hij keek scheel, was protestants en had veel belangstelling voor heiligen en kloosters. Hij kwam op het juiste moment, het schooljaar waarin ik vijftien zou worden, de tijd waarin ik in toenemende mate het christelijke geloof ernstig nam. De tijd waarin de andere scholieren bezig waren met uiterlijk, kleding, de juiste popmuziek, uitgaan, terwijl ik die eenling was die naar klassieke muziek luisterde, Bach speelde en moeilijke boeken las. Maar toen kwam hij, die man die altijd naar mijn buurman keek als hij mij bedoelde. Een docent die stimuleerde (verder) te denken, open van geest was, de juiste vragen stelde, niet oordeelde, maar de leerlingen uitdaagde om te formuleren, hoe onhandig soms ook, wat ze dachten en hoopten. Het waren lessen in reflectie en ik ging er graag naar toe.

Mijn godsdienstleraar van weleer. Ik begin te beseffen hoeveel sporen hij heeft nagelaten. Hij organiseerde weekenden naar kloosters, hij organiseerde de reizen naar Taizé. Alhoewel het nooit zijn intentie geweest zal zijn, maar door Taizé ben ik mijn geloofsovertuiging kwijt geraakt. Desondanks ben ik nog steeds gefascineerd door kloosters, monniken en kluizenaars. In het verlengde daarvan is ook mijn belangstelling voor iets anders op hem terug te voeren. Hij was de eerste in mijn leven die daar op zijn eigen eenvoudige wijze op wees: de waarde van stilte. Misschien dat hij hoopte daar in het diepst van zijn gedachten op God te stuiten, ik koester daar de leegte en de ruimte.

Maar het allerbelangrijkste was dat hij mijn sensitiviteit erkende en begreep, mijn sensitiviteit voor muziek, literatuur, religie en mijn gedachten die daaruit voortvloeiden. In die zin was hij de oase in mijn woestijn. Bij hem kon ik vrijuit spreken zonder het gevoel te krijgen een vreemde te zijn. Hij was de eerste van vele enkelingen die ik na hem nog zou ontmoeten.

Na elke groepsreis naar Taizé verbleven we een aantal dagen op een camping in Cormatin. Vaak maakten hij en ik dan een wandeling om de week na te bespreken. De laatste keer was in 1988, ik studeerde toen al een paar jaar. We waren ergens in een berm van een weg gaan zitten. We zwegen. Hij stopte zijn pijp zoals ik hem dat zo vaak had zien doen en hij glimlachte. Er was iets veranderd. Zoals altijd probeerde hij door te dringen tot mijn gedachten en gevoelens, maar ik had een muur om mij heen gebouwd. De leerling was geen leerling meer, ik begon zijn gesprekstechniek te doorzien en te ontregelen. Ik probeerde de rollen om te draaien. Ik was bezig vadermoord te plegen. Het was tijd om los te laten en te laten gaan.

Ik ben nog bij zijn intrede als predikant geweest, maar ik herkende hem nauwelijks. Ik heb zelfs nog als organist een kerkdienst die hij voorging begeleid. Na afloop nodigde hij me uit om eens langs te komen om bij te kletsen. Dat heb ik gedaan, maar het liep uit op een teleurstelling, ik had hem niets meer te vertellen. De magie was voorbij. Hij gaf me nog een Bijbel die ik ooit bij hem had laten liggen, mijn naam stond voorin. Toen ik later wegging vergat ik opnieuw het boek mee te nemen. Nu zie ik de symboliek ervan in.

Twee jaar geleden vond ik zijn e-mailadres op een website en zond hem een berichtje met de groeten. Een dag later vond ik een antwoord, hij wist nog precies wie ik was. Hij zou binnenkort met pensioen gaan en weer terug verhuizen naar Friesland. Wellicht had ik zin om langs te komen om weer eens van gedachten te wisselen over het leven, over onszelf, zoals we dat eertijds deden. Nog steeds weet ik niet wat ik moet antwoorden.