Het moet wel zestig jaar geleden zijn geweest, dat mijn moeder daar met de kinderwagen liep. Voor mijn tijd, ik heb de jaren in Den Helder niet meegemaakt. Toen liep ze ongetwijfeld vlotter, nu leunt ze op mijn arm en lijkt ze na een paar stappen al buiten adem te zijn. Kijk, zegt ze, dat café-restaurant was er toen ook al. Nogal wiedes heet het. Niet dat ik daar ooit ging zitten hoor, daar had ik het geld niet voor. Ik moest toen rondkomen met vijfenzestig gulden in de maand. Guldens!

Ik luister geduldig naar haar herinneringen. Ondertussen laat de koude wind uit het noordoosten zich voelen. Op deze gunstige wind hadden we gewacht. De golven van de Waddenzee zijn niet vreselijk onstuimig, het is eb en geen enkel schip vaart voorbij. In gedachten vraag ik me af of papa daar ooit gevaren heeft toen hij nog bij de marine werkte. En zou hij hier wel eens gelopen hebben met zijn vrouw en kind? Mijn moeder weet het niet meer. Ook niet of ze hier wel eens uitgezwaaid hebben als er weer eens een schip vertrok.

Nee, ze wil niet mee de dijk af naar de waterkant, ze blijft wel boven staan kijken. Ik loop naar mijn zus, zwager en neef die al beneden staan. Zullen we het bij deze pier doen? Goed, maar laten we nog even wachten tot er wat minder mensen in de buurt zijn. Een echtpaar met twee jonge kinderen blijft bij de pier rondhangen, maar met de rug naar ons toe. We besluiten het niet langer uit te stellen en lopen verder over de glibberige basaltblokken. Daar waar de zee op de pier klotst, waar het water een vlucht naar voren maakt en zich weer langzaam terugtrekt, haalt mijn zus de strooikoker te voorschijn. Jij doen of ik? Doe jij het maar, jij bent de oudste. Een argument van niets. Zus maakt de bovenzijde open en strooit de as met een vloeiende beweging over het zeewater uit. Wat weinig eigenlijk, denk ik nog. Ik probeer de grijze wolk te volgen terwijl het langzaam uitwaaiert in het water. Want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

Om weer warm te worden gaan we koffie drinken bij Nogal wiedes. Met gebak, nu is het geld er wel. Eén stoel blijft leeg en toch heb ik het gevoel dat hij op één of andere manier aanwezig is. We spreken alweer over alledaagse zaken en we vertellen over de kinderen.

Wanneer we teruglopen naar de auto, zien we een onderzeeboot varen.