Na een aantal dagen hard werken kon ik zeggen dat het er fantastisch uitzag. De bol was redelijk rond geworden en ik had voor voldoende licht en duisternis gezorgd. Daarna had ik in het water hopen aarde gemaakt. Toen deze aarde droog was geworden (maar niet te droog, want anders zou er niets groeien) had ik zaadjes geplant. Ik liet de dieren komen: vogels, insecten, het vee, maar ook wilde dieren. Ik kon niet zeggen dat het goed was, ook niet dat het slecht was, maar ik genoot van de bossen en de woestijnen, de dieren die er leefden en al die kleurrijke planten. De zee met de getijden en het leven erin, groot en klein. De afwisseling van dag en nacht, de zon, de sterren aan de hemel, de maan. Storm en regen, hitte en droogte, het werkte allemaal goed samen. Er waren weliswaar verstoringen en haperingen, toch kwam alles weer terug in een mooi evenwicht. De dieren deden instinctmatig wat nodig was, spontaan, zonder daar verder moeilijk over te doen. Natuurlijk, naast alle schoonheid was er ook wreedheid, maar het leek wel alsof niemand daar een probleem van maakte, het hoorde er nu eenmaal bij. Mijn creatie leefde in al zijn complexe eenvoud, een prachtig uit zichzelf voortrollende wereld die, zo leek het mij, volstrekt uniek was in zijn afwisseling, er was geen dag hetzelfde. Ik kon me al niet meer voorstellen dat het er ooit niet geweest was.

Hoe ik dit nu allemaal voorelkaar gekregen had en waarom het zo goed uitpakte, dat weet ik niet. Misschien zat er wel een wiskundige formule achter, daar moet ik nog eens over nadenken. Ondanks alle dynamiek, was er een voortdurende aanwezige en voelbare kern van evenwicht, zonder dat dit leidde tot een statische harmonie. Misschien kwam het door het cyclische spel van aantrekken en afstoten, van weggaan en terugkeer, van geboren worden en weer sterven. Misschien kwam het wel doordat alles ook meteen de schaduw van zijn eigen spiegelbeeld in zich droeg.

Om dit alles niet te ontregelen, had ik er wel voor gezorgd, dat al dat krioelende leven zich niet teveel ging afvragen. Ze leefden en aten wanneer ze honger hadden, maakten zich mooi en indrukwekkend als er gepaard moest worden en gingen dood wanneer het zover was. Het leek me beter dat ze niet de vraag gingen stellen naar het waarom van dit alles. Stel je voor zeg, voordat je het weet gaan ze dan net als ik op zoek naar antwoorden, gaan ze de aarde waarop ze leven onderzoeken, gaan ze denken en ontdekken hoe alles werkt, gaan ze vervolgens zelf hun wereld scheppen. Nee, ik kon ze beter laten in hun zalige onwetendheid, ze almaar laten voortgaan. Het was beter zo.

Ja, het was perfect zo, maar ook vreselijk saai. Laat ik er maar niet omheen draaien, ik miste het drama. Als alles zich maar herhaalt in een eeuwige wederkeer, jaar in en jaar uit, dan wordt voorspelbaarheid slaapverwekkend. Aan de perfectie ontbrak nog iets, ik moest iets vergeten zijn, iets wat zou ontregelen en wat spanning zou geven. Iets wat imperfect zou zijn, zodat de perfectie beter uit zou komen. Iets met een eigen willetje. Ik besloot dat ik zelf onderdeel moest worden van mijn wereld, dan zou het mijn verhaal worden. Op de zesde dag werd ik mens.