Terwijl ik laat in de avond door mijn woonplaats wandel, gaan mijn gedachten terug naar de zomer van 1988. Ik probeer beelden en namen uit het labyrint van mijn geheugen te bevrijden met als resultaat een aanzwellend verlangen naar die tijd. Ja, ik herinner mij hoe ik samen met een paar reisgenoten bij aankomst in Taizé bij de ingang zat te kletsen. Ik herinner mij de verbazing over mijn rookgedrag en ik werd gewezen op de tabaksaanslag aan mijn vingers. Altijd is mij bijgebleven, hoe banaal ook, dat B. zo'n strakke broek droeg dat iemand opmerkte dat je bijna kon liplezen door die broek. Maar de belangrijkste oorzaak dat ik die scène onthouden heb, is de herinnering aan het begin van een relatie met een boek. Hoe het ter sprake kwam, dat weet ik niet meer, maar het was B. die me het boek tipte. Waarschijnlijk reageerde ik terughoudend, ik had in die tijd een hekel aan mensen die de volwassen literatuur afwezen en de kinderliteratuur ophemelden. B. had het boek bij zich, ik mocht het lenen en las het die week in Taizé. Het moet me gegrepen hebben, want op vrijdag 15 juli 1988 noteer ik schrijver, titel, uitgever en ISBN-nummer in mijn dagboek en op 16 juli staat vermeld, dat ik het boek uitgelezen en teruggegeven heb aan B. In mijn eigen exemplaar noteerde ik de datum en plaats van aankooop: Leeuwarden, za. 23 juli 1988. Verder vind ik er niets over terug in mijn dagboek. Toch moet ik het meerdere keren gelezen hebben, want vanaf die tijd noemde ik het half schertsend, half ernstig, mijn Bijbel en ik raadde het iedereen aan en gaf het velen cadeau.

De laatste tijd begin ik me te realiseren hoe belangrijk dat boek voor mij geweest is. Het is altijd een stille en geruststellende aanwezigheid geweest in mijn boekenkast. Ik heb het al heel lang niet meer volledig gelezen, maar zo nu en dan pak ik het uit de kast, blader het door, lees hier en daar een paar regels en zet het weer terug. Op mijn website heb ik er geregeld naar verwezen, al was het maar, omdat een klein fragment uit het boek nog steeds mag gelden als motief voor deze website. Al is het niet altijd even duidelijk, deze website is steeds meer een zoektocht geworden, een zoektocht via allerlei wegen en omwegen, kromme en slinkse wegen, een zoektocht naar mezelf. Het fragment herinnert mij er aan, dat wie zichzelf zoekt zichzelf niet zal vinden, maar wie de wereld zoekt wellicht iets zal vinden dat hij niet zocht, maar tegelijkertijd toch ook iets wat hij wel zocht. Misschien staat deze paradox wel aan de basis van mijn leesverslaving, aan de basis van mijn pogingen tot schrijven.

Sinds mijn adolescentie heb ik voor vele onderwerpen belangstelling gehad. Twee onderwerpen zijn altijd gebleven: de filosofie van Nietzsche en sinds die zomer van 1988 het taoïsme. Twee verschillende denkwerelden die soms heel dicht bijelkaar komen. Ik ben niet de eerste die dat heeft opgemerkt en er zullen ongetwijfeld studies over bestaan. Eén overeenkomstig aspect vind ik altijd weer inspirerend en dat is wat Nietzsche 'amor fati' noemde, heb je lot lief. In het verlengde daarvan: probeer zo te leven, dat je dat leven elke keer opnieuw zou kunnen leven, tot in eeuwigheid (amen). Als alle stelsels van zingeving zijn ontmaskerd en alle surrogaten van transcendentie of immanentie ook niet meer kunnen overtuigen, blijft alleen het leven over dat eenvoudigweg voor je ligt. Dan kun je het leven bitter vinden, omdat het zoveel lijden bevat. Dan kun je het leven zuur vinden, omdat het verre van perfect is. Maar je kunt het leven ook aanvaarden en omarmen omdat het nu eenmaal is zoals het altijd geweest is, met alle verdriet en ellende, met alle schoonheid en plezier. Zoals de zon elke avond weer onder gaat en de volgende ochtend weer opkomt. Maar ook steeds in het volle besef, dat ik nog altijd in relatief luxueuze omstandigheden leef en dus gemakkelijk praten heb en maar beter kan zwijgen.

'Wel,' zei Poeh, 'we zoeken nu almaar naar ons huis en we vinden het maar niet, en nou dacht ik, als we nou eens naar deze Kuil zochten, dan vonden we die vast ook wel niet en dat zou al een Mooi Ding zijn, want dan konden we misschien wel eens iets vinden waar we niet naar zochten en dat was dan misschien juist iets waar we wel naar zochten.'

Benjamin Hoff Tao van Poeh
Den Haag 1988, 23