Ik zou iedereen wel willen voorlezen uit Morgenrood van Nietzsche en daarbij willen spreken over de gedachten die het lezen ervan bij me oproept en de associaties die ik voortdurend heb. Zoals bij §66, waar het kort gaat over mensen met visioenen in de Middeleeuwen. Nietzsche vindt het hebben van visioenen getuigen van een ernstige geestesstoornis. Daar zou hij wel eens gelijk in kunnen hebben, maar het heeft fascinerende verhalen en teksten opgeleverd. Ik denk daarbij aan Hildegard von Bingen waarover ik kort geleden een mooie film zag (Vision – Aus dem Leben der Hildegard von Bingen van Margarethe von Trotta, waarin Barbara Sukowa de hoofdrol speelt). En ik lees niet voor niets zo nu en dan de liederen van Hadewijch. Weliswaar geen visioenen, maar toch ook vol met mooie beelden. Ik geloof in de oprechtheid van Hadewijch en ik geloof haar als ik haar teksten lees. Is het boek dichtgeslagen dan geniet ik na van haar mooie stijl en van het prachtige oude Nederlands. Daarnaast probeer ik me in te leven in de twijfel en de strijd die ze met zichzelf gevoerd moet hebben. Maar aan haar christelijk fanatisme, aan haar getuigenis van en pleidooi voor de minne heb ik verder geen boodschap. Nietzsche haalt nog even lekker uit naar zijn tijdgenoten, maar zijn woorden gelden, vrees ik, nog steeds: Is het een wonder dat nog tot in onze tijd toe de overschatting van halfgestoorde, fantastische, fanatieke, zogenaamde geniale personen aanhield; 'zij hebben dingen gezien die anderen niet zien', – zeker! en dit zou ons jegens hen voorzichtig moeten stemmen, maar niet gelovig! Lachend beloof ik Nietzsche dat ik voorzichtig zal zijn.

Hoewel §68 over de eerste christen Paulus gaat, moest ik bij de eerste zin aan iemand anders denken: De hele wereld gelooft nog altijd aan het schrijverschap van de 'heilige geest' of wordt beïnvloed door dit geloof: wanneer men de bijbel opent, dan gebeurt dit om zich te laten 'stichten', om in zijn eigen, persoonlijke grote of kleine nood een vingerwijzing van troost te vinden, – kortom, men leest zichzelf erin en eruit. Ik weet niet of Nietzsche Augustinus gelezen heeft. Op z'n minst kende hij de naam, want in De antichrist §59 schrijft hij: Men hoeft slechts een willekeurige agitator te lezen, de heilige Augustinus bijvoorbeeld, om te begrijpen, om te ruiken wat voor onzindelijke klanten aldus aan de macht zijn gekomen. Augustinus beschrijft in zijn Belijdenissen zijn bekering na een zeer losbandig leven. Die bekering vindt pas plaats na veel tranen, twijfel en wanhoop. Maar dan (Boek 8, 29) hoort hij een stem van een kind: Neem en lees, neem en lees. Hij begrijpt het als een opdracht van God: Vlug holde ik dus terug naar de plek waar Alypius zat, want daar had ik het boek van de apostel laten liggen toen ik was opgestaan. Ik pakte het, sloeg het open en las stil de eerste tekst waar mijn oog op viel: 'Geen bras- en slemppartijen, geen ontucht en losbandigheid, geen tweespalt en jaloezie. Bekleed u met de Heer Jezus Christus en geef niet toe aan uw eigen wil die begeerten in u opwekt.' (Rom. 13:13-14)

§78 De straffende gerechtigheid gaat over ongeluk en schuld die, zo betoogt Nietzsche, door het christendom aanelkaar gekoppeld zijn: Maar pas aan het christendom was het voorbehouden te zeggen: 'Hier hebben we een zwaar ongeluk en daarachter moet een zware, even zware schuld verborgen liggen, ofschoon wij die niet duidelijk zien! (...) Daarnaast bestond er in de oudheid werkelijk nog ongeluk, zuiver, onschuldig ongeluk; pas in het christendom wordt alles straf, welverdiende straf: het maakt de fantasie van de lijdende ook nog lijdend, zodat hij bij alle tegenslag zich moreel verwerpelijk en verworpen voelt. Ondanks het feit dat steeds meer mensen zich van de kerk en het geloof afwenden, heb ik de indruk dat deze band tussen ongeluk en schuld nog steeds voortleeft. Met het loslaten van een oud geloof, verliest men nog niet de gewoonten die daarbij horen en zeker niet onbewuste, ingesleten denkwijzen. Vooral ongelovigen van protestantse afkomst hoor ik nog vaak over dat gevoel schuldig te zijn. Soms denk ik wel eens dat deze protestantse ethiek ook in het liberalisme ingebakken zit: heb je geen werk, dan zal het wel je eigen schuld zijn. Misschien is het liberalisme eenvoudigweg een seculier calvinisme. Toch maar eens De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme van Max Weber lezen.

Het was Nietzsche ongetwijfeld allemaal bittere ernst. Soms lijken deze pagina's van Morgenrood wel één grote aanval van woede en een persoonlijke afrekening met het christendom. Ik moet echter vaak gniffelen en grinniken om al die vileine boosheid. Zelf ben ik los van het christendom als geloofsovertuiging, maar ik ken veel mensen die op vergelijkbare wijze tekeer gaan tegen elk willekeurig geloof. Vaak herkennen ze echter niet hoezeer ze nog doordrongen zijn van een christelijke ethiek en Nietzsche wijst ons daarop.

89

Twijfel als zonde. – Het christendom heeft het uiterste gedaan om de cirkel te sluiten, en de twijfel al tot zonde verklaard. Men moet zonder rede, door een wonder, in het geloof geworpen worden om er vervolgens als in het helderste en ondubbelzinnigste element in rond te zwemmen: reeds het spieden naar vasteland, reeds de gedachte dat men misschien enkel op de wereld is om rond te zwemmen, reeds de nauw merkbare opwelling van onze amfibische natuur – is zonde! Men merke op dat hiermee de fundering van het geloof en alle nadenken over de herkomst ervan eveneens al als zondig zijn uitgesloten. Men wil blindheid en vervoering en een eeuwig gezang boven de golven, waarin de rede verdronken is!

Friedrich Nietzsche Morgenrood
Amsterdam 1998, 87