XXXIII

Toen bereikte ik de kustloze kust van de stilte.
Waar het nooit zomer was, en geen boom zijn schaduw kende,
Water stroomde er geruisloos, zacht zonlicht was er niet,
Helemaal niets, en dáár de kustlijn van,
Daarboven, daaronder, rondom en in mijn hart:

Waar geen dag was, geen nacht, geen ruimte, geen tijd,
Waar geen vogel zong, behalve die uit de herinnering,
Noch voetsporen in het mergel van mijn aarzelende
Voetstappen begeleidden; en ik werd door angst overmand,
En zocht vergeefs de Poolster van mijn denken;

Waar die tussen vormloze wolken was opgelost,
En zodra waargenomen nog nauwelijks door mij
Herkend werd, haar beeld uitgedoofd, en ik stuurloos:
Alleen op de bruine trieste rand van de chaos,
In de fletse avond zoals elke avond flets was;

Ik sloot mijn ogen voor deze kust van niks terwijl
In herinnering een stralender zee naar voren kwam,
Met lange, lange golven van licht en een kwikzilveren zon,
En meegaande bomen die bogen in de wind;
Net zolang totdat het mij duizelde in die droom;

Eén beeld, het dierbaarste, het helderste,
Eén gezicht, één ster, één madeliefje, één verrukking,
Eén uur met gezwinde goddelijke vleugels,
Een hand, de lieflijkste, op mijn hart,
Zocht ik in de vreugde van al het zich herinnerde.

Conrad Aiken Preludes voor Memnon
z.p. 2015, 65