Er zijn jaren geweest dat ik nauwelijks notities maakte in mijn dagboek. Soms maar een paar maal per jaar en dan ging het meestal over de geboorte van een kind of de dood van een familielid. Wel maakte ik aantekeningen in een ander schrift, over wat ik las of wat ik niet wilde vergeten, geheugensteuntjes. Na de verhuizing naar B. ben ik opnieuw begonnen mijn dagboek bij te houden en ik koos ervaar om daar ook meteen mijn aantekeningen te maken. Zo werd het een notitieboek en een journaal. Het eerste schrift van dit dagboek nieuwe stijl is nu vol.

De eerste aantekening dateert van maandag 31 augustus 2009 met een citaat uit het NRC: Kinderboeken gaan altijd over de lezer, volwassen boeken over de schrijver. De laatste aantekening is van zondag 24 mei 2015: Met veel twijfel 1406 geplaatst. Daartussen dagboekfragmenten en allerlei aantekeningen. Een titel van een boek, een adres, een telefoonnummer, weer een citaat, een uitvoering van een muziekstuk die ik op de radio hoorde en niet wilde vergeten, het weer, een genoten maaltijd, emotionele ontboezemingen, euforische uitroepen, beschrijvingen van dromen, enzovoort. Al bladerend komt er van alles boven, maar soms kan ik een opmerking niet meer plaatsen. Zoals deze: maandag, 23 mei 2011 Zag de duivel op het station. Geen idee waarom ik dat opgeschreven heb, de uitleg ontbreekt.

Wanneer ik door ruim 250 bladzijden met priegelhandschrift blader, valt me op dat het deel notities en aantekeningen steeds kleiner wordt en de dagboekfragmenten steeds groter. Er is in deze jaren veel, heel veel gebeurd, waarbij de reorganisaties op mijn oude werk en het uiteindelijke verlies van mijn baan bepaald niet de heftigste waren. Eén van de hoofdthema's in mijn dagboeken – en dat was het ook al in vroeger tijden – is mijn gebrek aan discipline daar waar het nodig is (genoteerd op dinsdag, 11 maart 2014: Wie niet voorelkaar kan krijgen wat hij zich voornam moet keer op keer opnieuw beginnen, Sloterdijk 355). In het verlengde daarvan: gebrek aan moed om zaken aan te pakken, altijd maar weer uitstellen. Een ander terugkerend thema is het gevoel niet thuis te horen in deze wereld en de vele verzuchtingen om stilte en rust. Ook mijn dagboeken geven geen volledig beeld van hun schrijver, het is allemaal selectief en maar al te vaak slechts een momenopname.

Ik ben geen vanzelfsprekende dagboekschrijver, ik moet me er vaak toe aanzetten. Het schrift gaat vaak mee als ik lang onderweg ben. Het ligt vaak open naast het boek dat ik aan het lezen ben. Mijn notities hebben naast de datering geen structuur, er heerst anarchie. Er wordt geschreven wat op dat moment geschreven dient te worden. Het heeft voor niemand enige waarde behalve voor mezelf en die waarde ligt meer in het schrijven dan in het resultaat. Het bevat geen fantastische inzichten à la Nolens en het literair verhalende van Vogels ontbreekt evenzeer.

Na mijn dood zullen de schriften in handen vallen van mijn kinderen, zij moeten maar zien wat ze ermee doen. Ze mogen het dan lezen, als ze mijn handschrift kunnen ontcijferen tenminste. Wat voor beeld uit deze fragmentarische documentatie tevoorschijn zal komen, dat weet ik niet. Ik weet alleen dat ik voort moet zolang er nog tijd is, het nieuwe schrift ligt al te wachten.

 

NB. Ondertussen is het muntje gevallen en weet ik weer wat (of beter: wie) ik met die duivel bedoelde. De constatering dat ik het vergeten was, doet me glimlachen. Ik schreef het in alle ernst en met veel bitterheid en nu was het me aanvankelijk een raadsel. Wat toen zo belangrijk leek, was nu een vraagteken. Lezen en schrijven in je eigen dagboek relativeert de tijd.