Begin maart 1861 laat Nietzsche zich fotograferen en het is nu het oudste beeld dat we van hem hebben. Hij is zestien jaar en bevindt zich al enige jaren op Schulpforta, een school die zich nog het beste laat omschrijven als een elitaire kostschool. Daar krijgt hij onder meer een degelijke opleiding in de klassieke talen. Hij maakt er vrienden, vrienden die we nu nog vooral kennen van de briefwisselingen. Hij bouwt er zelfdiscipline op, een eigenschap die hem in zijn latere leven van pas zal komen. Het is geen ongelukkige tijd en hij schrijft én componeert veel. In deze tijd beginnen echter ook zijn langdurige hoofdpijnen, een kwaal die als een rode draad door zijn verdere leven zal lopen.

Wanneer ik naar de foto kijk zie ik een onhandige poserende, slungelige jongeman. De gekromde houding, de hand in zijn jas gestopt, het komt allemaal nogal geforceerd over. Nog niets verraadt de latere filosoof met de grote snor. Of het moeten zijn ogen zijn, zijn bijziende ogen. Er war auf der Schule außerordentlich kurzsichtig und seine tiefliegenden Augen hatten einen eigenthümlichen Glanz, zo herinnert zijn toenmalige vriend Raimund Granier zich later.

Aan zijn moeder schrijft Nietzsche: Die Photographie gefällt mir ganz gut, wenn auch die Stellung etwas bucklig, die Füße etwas krumm sind, und die Hand eine Art Kloß ist (KSB 1, 150).