Van een afstand kijk ik naar ze. Daar zijn ze, mijn kinderen, ze zitten gehurkt op een kleine dam die in het stroompje is gebouwd. Ze kijken samen in het water op zoek naar diertjes, waterslakken, schaatsenrijders, een kikker wellicht. Ik ben blij dat ze geboeid zijn door de natuur, dat ze ook al een beetje de waarde ervan inzien. Dat hun vader niet houdt van dieren vangen en zelfs nog geen mug dood slaat ('ja maar papa, ze steken!' 'dat zit in hun aard, waarom zouden we ze dood maken om iets waar ze niets aan kunnen doen?'), dat vinden ze vreemd, maar ze weten ondertussen al beter dan ik hoe de dieren en planten heten. Ik geniet van ze en onwillekeurig luister ik naar de mooiste muziek van de wereld, het ruisen van bomen. Helaas hoor ik ook het geluid van machines, uitgevonden door dat dier met bewustzijn, de mens. Zoveel natuur in de omgeving van mijn woonplaats, maar altijd hoor je die eeuwige aanwezigheid van mensen, het is nooit echt stil. Zoals zoveel ouders maak ik me zorgen over de toekomst van mijn kinderen. Zullen zij de ernstige gevolgen van de opwarming van de aarde meemaken? Of zal ik nog getuige zijn van een revolutie, een revolutie die dan nog net op tijd is om een desastreuse opwarming te voorkomen? ('Wat heb jij gedaan papa, jij bleef toch ook gewoon auto rijden en vlees eten?') Zal het ooit weer stil worden op deze wereld, zo stil als het wellicht was in een tijd dat paard en wagen nog de voertuigen bij uitstek waren? Nee, die tijd komt niet meer terug. Gelukkig is de wereld van mijn kinderen nog klein, al worden niet alleen zij, maar ook hun wereld snel groter. Daarom wil ik dit beeld vasthouden, mijn kinderen, daar op die kleine dam in dat stroompje, loerend naar beestjes in het water. Ik kijk naar ze totdat ze opspringen. 'Papa, kom je, we willen verder!'