Het afgelegen eiland waarop ik me bevond, gelegen in een bijna onbevaren zee, ver van alle koopvaardijroutes; het woeste, weelderige tropische woud dat zich naar alle kanten uitstrekte; de ruwe, onbeschaafde wilden die zich rondom me verdrongen – alles had zijn invloed op de emoties die me bevingen toen ik dit 'juweeltje' [i.c. een koningsparadijsvogel – jwl] bekeek. Ik dacht aan de lang vervlogen tijden waarin de opeenvolgende generaties van dit schepseltje hun leventjes had geleid – jaar na jaar werden ze geboren, leefden en stierven ze te midden van deze donkere, dreigende wouden, zonder een intelligente waarnemer om hun schoonheid te appreciëren. Het leek in alle opzichten een exuberante verspilling van schoonheid. Van zulke gedachten wordt men melancholiek. Het lijkt zo verdrietig dat dergelijke verfijnde schepseltjes enerzijds hun leven moeten slijten en hun bekoring uitsluitend kunnen tonen in deze woeste, onherbergzame streken, nog eeuwenlang gedoemd tot hopeloze barbarij, terwijl we anderzijds, als de beschaafde mens ooit deze verre streken zou bereiken en zedelijke, intellectuele en fysieke verlichting zou brengen in uithoeken van de ongerepte bossen, met zekerheid kunnen voorspellen dat hij het fraaie evenwicht tussen de organische en anorganische natuur dermate zou verstoren dat het de verdwijning en ten slotte het uitsterven tot gevolg zou hebben van uitgerekend de wezens waarvan alleen híj de prachtige vorm en schoonheid kan waarderen en genieten. Uit deze beschouwing blijkt heel duidelijk dat al wat leeft niet voor de mens is gemaakt. Veel van wat leeft staat niet in relatie tot de mens. De cyclus van dieren is onafhankelijk van die van de mens en wordt verstoord of verbroken door elke vooruitgang in de intellectuele ontwikkeling van de mens. En hun geluk en vreugde, hun liefde en afschuw, hun strijd om het bestaan, hun krachtige leven en vroege dood, lijken wel rechtstreeks en uitsluitend verbonden met hun eigen welzijn en bestendiging, alleen beperkt door hetzelfde welzijn en dezelfde bestendiging als van de ontelbare andere organismen waarmee een ieder min of meer nauw verbonden is.

Alfred Russel Wallace Het Maleise eilandenrijk, 469-470