Het is een kleine kamer. Of beter: het is geen grote kamer. Een bed, een koelkast, een piano, een bureau, een boekenkast en heel veel boeken. Boven het bed hangt een poster, Carel Willink Simeon de Pilaarheilige.

Aan één kant is een raam, aan de andere kant een deur. Een deur die altijd al zo onvoorspelbaar open en dicht gaat. De ene dag met gemak, maar op andere dagen piepend en knarsend. Dan smeer ik de hengsels met wat olie, maar de deur lijkt een eigen wil te hebben en zelf te bepalen wanneer het zwaar of licht moet gaan. Van één ding ben ik zeker, de deur gaat altijd naar binnen open.

Maar die deur wil niet meer open. Alsof het op slot zit. Wanneer ik er aan trek zit er geen beweging in en ik hoor door een kier dat er een storm raast daarbuiten. Vreemd dat de wind de deur niet open blaast, maar door een vacuüm muurvast laat zitten.

In het begin maakte ik me er geen zorgen over, het zou wel weer over gaan, maar naarmate het langer duurde begon ik toch onrustig te worden. Het eten zou immers op raken, ik moest een keer naar buiten. Na een paar dagen begon de paniek toe te slaan en ik bonsde op de deur in de hoop dat iemand mij zou horen. Maar het bleef stil, alleen het gieren van de wind was hoorbaar en ik besefte dat ik zou moeten wachten tot de storm zou gaan liggen. De tijd verliep en toen de koelkast leeg was, begon ik te roepen: Hé, is daar iemand? Niemand. Toch moesten er mensen zijn. Een enkele keer hoorde ik in de verte muziek, ik herkende de dertiende cantate van Bach. Maar de deur kreeg ik niet open, ik begon te geloven dat één of andere onbekende macht de deur gesloten hield.

Op een dag hoorde ik een vrouwenstem achter de deur. ben je daar nog? Ik herkende de stem vaag, maar dat deed er niet toe, eindelijk iemand die me zou kunnen helpen. Ik rende naar de deur. Ik schreeuwde help me, ik krijg de deur al dagen niet open, het komt waarschijnlijk door de storm, wil jij aan de andere kant duwen? Tot mijn verbijstering antwoordde ze: maar het stormt helemaal niet, het is prachtig weer! Kijk, de zon schijnt, het is bijna windstil! Die storm zit alleen maar in je hoofd! En weg was ze.

Zou het waar zijn, dacht ik, dat die storm alleen maar in mijn hoofd zit? Ik ging op de rand van het bed zitten en keek nog eens goed om me heen. Vocht sijpelde langs de muren en ik zag het plafond scheuren, het instorten zou wel niet lang meer duren. Buiten scheen inderdaad de zon, maar toch zag ik mijn spiegelbeeld in het raam alsof het nacht was. Ik keek naar de piano die ik al zo lang niet had laten klinken. Ik keek naar mijn bureau, waarop een stapel onbeschreven papier, een pen en lege flessen. Ik keek naar al die boeken die ik ooit nog wilde lezen, het waren er teveel.

Toen ging de deur open. Meneer L? Komt u maar mee